3.4. Antoni van Leeuwenhoek
(1632 - 1723)

Antoni van Leeuwenhoek Het komt niet vaak voor dat een leek zonder formele wetenschappelijke opleiding een fundamentele ontdekking doet, een nieuwe tak van de wetenschap begint en de loop van de menselijke geschiedenis wijzigt. Het komt ook niet vaak voor dat een leek een zodanig voorbeeldige wetenschappelijke techniek toepast dat deze een model wordt voor toekomstige generaties van wetenschappers. Maar, Antoni van Leeuwenhoek was zo’n leek. Hij was uitzonderlijk vindingrijk, zorgvuldig en nauwgezet. Van Leeuwenhoek liet zich niet tegenhouden door de foutieve denkbeelden van zijn tijd, en werd gedreven door een onverzadigbare nieuwsgierigheid die op 40-jarige leeftijd bezit van hem nam en hem tot zijn sterfdag op 91-jarige leeftijd niet meer zou verlaten. Het begon toen hij in 1665 het nieuwe, geïllustreerde boek "Micrographia" van Robert Hooke las. Dit boek bevatte tekeningen van insecten, kurk, textiel en andere dingen die onder een microscoop zo’n 20-30x uitvergroot waren. Van Leeuwenhoek besloot zijn eigen lenzen te slijpen en zijn eigen microscopen te maken. Hij vervolmaakte deze techniek zodat hij tot meer dan 200x kon vergroten. Hiermee opende hij een volkomen nieuwe wereld die voorheen nog door geen enkel mens was aanschouwd: de wereld van de micro-organismen.

Antoni werd in Delft geboren. Hij had geen enkele gelegenheid, of verlangen, om een wetenschapper te worden. Hij zou bovendien te maken krijgen met zware tijden en veel verdriet. Zijn vader, een mandenmaker, stierf toen Antoni vijf of zes jaar oud was. Zijn moeder was de dochter van een bierbrouwer. Zij hertrouwde met een schilder en baljuw, maar haar tweede man stierf toen Antoni 16 was. Hij werd onderwezen door een oom, bezocht nooit een universiteit en leerde nooit Latijn (de wetenschappelijke taal in die tijd) of enige andere taal dan zijn moedertaal, het Nederlands. Op 16-jarige leeftijd werd hij leerjongen bij een textielhandelaar. Al vóór zijn 22-jarige verjaardag opende hij zijn eigen textielwinkel. Hij trouwde rond die tijd met Barbara de Meij, de dochter van een zijdehandelaar. Samen kregen zij vijf kinderen, waarvan er vier op jonge leeftijd overleden.

Antoni werd in 1660 aangesteld tot kamerheer, en werkte later als landmeter en wijnroeier. Door zijn aanstelling en mogelijk ook een erfenis genoot hij een comfortabel inkomen en kon hij tijd besteden aan wat later zijn beroemde hobby zou worden. Antoni’s vrouw stierf in 1666 toen hij 34 jaar oud was; vijf jaar later huwde hij Cornelia Swalmius, de dochter van een andere textielhandelaar die bovendien een calvinistische predikant was. Het is mogelijk dat zij een stimulans was geweest voor Antoni’s wetenschappelijke onderzoek, omdat hij twee jaar na hun huwelijk daarmee begon. Dit tweede huwelijk duurde 23 jaar, tot Cornelia’s dood in 1694. Antoni’s laatst overgebleven dochter verzorgde hem tot aan zijn dood in 1723. Nadat hij voor de tweede keer weduwnaar was geworden, zette hij zijn wetenschappelijke werk dus nog 29 jaar voort.

Van Leeuwenhoek was niet de uitvinder van de microscoop (samengestelde microscopen bestonden al 40 jaar toen hij werd geboren), maar hij wist deze naar nieuwe hoogten te tillen. Vanwege zijn werk in de textielhandel was hij waarschijnlijk bekend met de vergrotende lezen die gebruikt werden om stoffen te onderzoeken. Op zijn enige reis naar Londen (tussen zijn huwelijken in, in 1668) kreeg hij de onzichtbare natuurlijke wereld onder ogen die was uitvergroot in Robert Hookes populaire nieuwe boek "Micrographia". We kunnen alleen maar gissen wat de aanzet was voor zijn belangstelling in microscopie, een belangstelling die slechts vijf jaar later in volle bloei stond. Was het dit boek? Zijn tweede vrouw of haar intellectuele vrienden? Zijn eigen nieuwsgierigheid naar de werking van de natuur? Om welke reden dan ook begon hij zijn eigen vergrootglazen te produceren en perfectioneerde hij de manier waarop zowel de lenzen als de proefstukken gepositioneerd werden. Naar huidige maatstaven was het nog steeds vrij grof, maar Van Leeuwenhoeks microscopen waren veruit superieur aan die van Hooke, Swammerdam, Malphighi en anderen. Tot de 19e eeuw waren zij ongeëvenaard (de elektronenmicroscoop zou nog 250 jaar op zich laten wachten). De samengestelde microscopen in zijn tijd hadden te kampen met chromatische aberratie (kleurschifting) en waren bij vergrotingen sterker dan 20x niet bruikbaar. Van Leeuwenhoek maakte voor zijn eenvoudige microscopen kleine lenzen die niet veel groter waren dan een speldenknop. Geholpen door zijn uitstekende gezichtsvermogen wist hij vergrotingen te bereiken tot wel 270x met een resolutie van 1,4 micron. Hij was nu in staat om een wereld binnen te turen die nog nooit eerder door mensenogen was aanschouwd.

Andere wetenschappers in deze tijd stelden zich tevreden met vergrotingen van reeds goed bekende objecten zoals bladeren of textielstoffen. Van Leeuwenhoek wilde het onzichtbare zien. In 1673, toen hij met zijn microscoop al opwindende dingen had ontdekt, bracht een vriend hem in contact met de Royal Society of London. Antoni stuurde hen tekeningen (door een vriend gemaakt) van bijensteken en monddelen, een luis en een schimmel. De vooraanstaande Britse wetenschappers stonden aanvankelijk sceptisch tegenover de beweringen van deze onopgeleide leek die alleen maar Nederlands kon spreken. Toen hij in 1676 schreef dat hij in water micro-organismen had gevonden die zo klein waren dat "tienduizend van deze levende wezens nog maar nauwelijks de omvang van een grove zandkorrel konden evenaren", vroeg de verbaasde Royal Society om ondersteunende ooggetuigenverslagen, vooral omdat Robert Hooke zelf deze experimenten niet kon herhalen (hij kon dat pas later, met een krachtiger microscoop). Diverse vrienden, waaronder een voorganger en een notaris, stuurden beëdigde documenten waarin zij verklaarden dat ook zij deze dingen onder Antoni’s microscoop hadden gezien. Nadat men de conclusie had getrokken dat Van Leeuwenhoeks waarnemingen waar en nauwkeurig waren, groeide zijn reputatie en in 1680 werd deze onopgeleide leek gekozen tot lid van de Royal Society. Ook al zou hij Londen nooit meer bezoeken of er ooit een vergadering bijwonen, toch bleef de Hollandse textielhandelaar vijftig jaar lang een levendige relatie onderhouden met de Britse wetenschappers. Hij stuurde hen honderden brieven met bijgevoegde monsters, waarvan er enkele tot op de dag van vandaag zijn behouden in de archieven van de Royal Society, alsook enkele van zijn met de hand vervaardigde microscopen. Helaas zijn er van de honderden die hij maakte nog maar negen over.


Van Leeuwenhoeks brieven stralen door de opwinding van zijn ontdekkingen. Zijn aanstekelijke vreugde maakt het lezen van zijn brieven zo plezierig. Hij gebruikt veelvuldig woorden als verwonderd, wonderbaarlijk, merkwaardig, perfect, miraculeus en onvoorstelbaar om zijn "kleijne diertgens" en hun bewegingen te beschrijven. Toen hij protozoën en bacteriën in een druppel water beschreef, schreef hij:

"De beweging van de meeste van hen in het water was zo snel, en zo gevarieerd, omhoog, omlaag en in het rond, dat ik toegeef dat ik mij alleen maar kon verwonderen. Ik schat dat enkele van deze kleine wezens meer dan duizend keer kleiner waren dan de kleinste die ik tot nu toe heb gezien op de korst van kaas, tarwebrood, schimmel en dergelijke... Enkele van deze waren zo uitzonderlijk klein dat er in een enkele druppel water wel miljoenen en miljoenen zouden kunnen zitten. Ik was zeer verbaasd over dit wonderbaarlijke spektakel, omdat ik nog nooit een levend wezen gezien had dat qua kleinheid vergeleken kon worden met deze; noch kon ik mij werkelijk voorstellen dat de natuur dergelijke buitengewoon kleine dierenafmetingen zou bevatten."

Zijn woordenschat moet de Britse wetenschappers soms toch wel wat ordinair in de oren hebben geklonken. Toen hij de plak tussen zijn tanden beschreef, schreef hij bijvoorbeeld:

"Ik zag dan meestal, met grote verwondering, dat er in deze materie een groot aantal kleine levende diertgens zat, die zich heel mooi rondbewogen. De grootste soort... had een heel krachtige en vlotte beweging, en schoot door het water (of speeksel) zoals een snoek door het water schiet. De tweede soort... draaide vaak rond als een tol."

Maar Antoni’s intense nieuwsgierigheid en verwondering over wat hij onder ogen kreeg, schonken hem de energie en het geduld om zijn ogen vijf decennia lang zo vaak gericht te houden op zijn kleine (vijf centimeter) microscopen, die verlicht werden door de vlam van een kaars.

Over zijn beweegredenen schreef hij zelf: "...De drijfveer voor mijn werk, dat ik al heel lang doe, is niet om de lof te ontvangen waar ik nu van mag genieten, maar is vooral een honger naar kennis, waarvan ik heb gemerkt dat die meer in mij huist dan in de meeste andere mannen." Clifford Dobell, een vertaler van een groot aantal van zijn brieven, beschrijft hem als volgt:

"Onze Van Leeuwenhoek was duidelijk een man met een grote en unieke openheid, eerlijkheid en oprechtheid. Hij was uitzonderlijk duidelijk en recht voor zijn raap in alles wat hij deed, en daardoor soms welhaast onbetamelijk openhartig wanneer hij zijn waarnemingen beschreef. Het kwam nooit in hem op dat Waarheid ooit ongepast zou kunnen zijn. Zijn brieven staan daarom vol van uitgesproken gedachten, die ‘wetenschappelijkere’ schrijvers slechts aarzelend op papier zouden durven zetten. Voor de moderne lezer is dit werkelijk een van zijn bijzondere charmes - want hij is veel kinderlijker en onschuldiger en ‘moderner’ dan enige hedendaagse schrijver" (Dobell, p. 73). [1]

Antoni onderzocht bijna alles wat hij voor zijn lens kon houden. Op deze manier was hij een voorbeeld van technische vaardigheid, doorzettingsvermogen, nieuwsgierigheid, inzicht en nauwgezetheid, wat een model zou worden voor anderen die zich bezighielden met experimentele biologie. Hij was de eerste die bacteriën, raderdieren en protisten als vorticella en volvox (groenalgen) waarnam. Hij zag bloedcellen en was de eerste mens die ooit de zweepachtige beweging van zaadcellen observeerde. Hij werkte ook ijverig om allerlei mythen de wereld uit te helpen. Hij werkte onafhankelijk, ver verwijderd van de algemene misvattingen die onder de wetenschappers van zijn tijd heersten, en gebruikte degelijke empirische methoden om de waarheid te ontdekken. Toen mensen op een dag bijvoorbeeld enkele objecten hadden gevonden die op verbrand papier leken met daarop mysterieuze boodschappen en dachten dat het om boodschappen uit de hemel ging, bewees Antoni dat het niets anders was dan gedroogde algen. In zijn bewijsvoering deed hij een forensische analyse en reproduceerde hij zelfs het proces dat deze "lappen" van algen had voortgebracht. Nog belangrijker is dat Van Leeuwenhoek het idee van spontane generatie wist te weerleggen. Dit is het idee dat levende dingen spontaan kunnen voortkomen uit niet-levende materie, een idee dat heel populair was in zijn tijd. Zo zouden alen ontstaan uit dauw, schelpdieren uit zand, maden uit vlees en wormen uit tarwe. Hij observeerde de volledige levenscyclus van mieren, vlooien, alen en diverse insecten, en bewees met zijn onderzoek dat alle organismen ouders hebben. Het zou nog 150 jaar duren voordat het foutieve idee van spontane generatie eindelijk de genadeklap zou worden gegeven door Louis Pasteur (hoewel een nieuwe vorm van deze leer in de twintigste eeuw opkwam, onder de naam "chemische evolutie", omdat de Darwinistische filosofie dit nodig had).

Antoni van Leeuwenhoek werd op hoge leeftijd een soort beroemdheid. Onder de mensen die zijn kleine winkeltje bezochten om de microscopische wonderen te aanschouwen, bevonden zich Peter de Grote, koning Jacobus II en Frederik II van Pruisen. Zijn relatie met de Royal Society bracht hem ook in contact met andere toonaangevende wetenschappers van zijn tijd. Hij maakte geen onderscheid op basis van naam of positie en wees zelfs koninklijke adel de deur als hij te druk bezig was of als zij geen afspraak hadden gemaakt. Zijn grote liefde bestond uit de wonderen van de natuur die God hem liet onderzoeken. Er zijn aanwijzingen dat hij ook geïnteresseerd was in navigatie, astronomie, wiskunde en andere natuurwetenschappen. Hij zei: "Een mens moet voortdurend bezig zijn met zijn gedachten als hij iets wil bereiken."

Het is moeilijk om in de biografische werken veel details te vinden over Van Leeuwenhoeks kerkbezoek of zijn geestelijke leven, omdat zij zich vooral concentreren op zijn experimentele prestaties. Maar het is duidelijk dat zijn geloof in God en zijn liefde voor de schepping belangrijke drijfveren waren voor zijn wetenschappelijke werk. Hij werd geboren in de Nederlandse gereformeerde traditie, die een hoge achting had voor de Schrift en redding in Jezus Christus, alsook een solide scheppingsleer. Aangaande zijn godsdienst schrijft Richard Westfall van de Universiteit van Indiana het volgende: "Hij werd gedoopt en begraven in calvinistische kerken en zijn tweede vrouw was de dochter van een calvinistische predikant." De gereformeerde traditie begreep bovendien de rol van de mens als onderzoeker van Gods handwerk in de natuur, en moedigde deze rol ook aan. Dr. Abraham Schierbeek, de hoofdredacteur van een bekend werk over de brieven van Van Leeuwenhoek [2], legt uit dat hij behoorde tot de groep wetenschappers met een "nieuwe filosofie", zoals Robert Boyle, die de bestudering van de natuur beschouwden als "een werk voor de glorie van God en voor het goed van de mens". De nog jonge Royal Society bestond vooral uit puriteinen met vergelijkbare overtuigingen, waaruit we kunnen afleiden dat Van Leeuwenhoek deze overtuiging met hen gemeen had. Hij was immers bijzonder trots op zijn relatie met de Royal Society; de organisatie kreeg een vermelding op zijn titelpagina’s en zelfs op zijn grafsteen. Schierbeek zegt: "Zijn werken staan vol van bewondering voor de schepping en de Schepper, een thema dat in werken uit deze periode regelmatig wordt aangetroffen; mensen wilden dichter bij de Schepper komen door meer te weten te komen over de schepping, een overtuiging die heerste onder een groot aantal vroege leden van de Royal Society" (Schierbeek, p. 200). We zien dus opnieuw dat het Christendom een stuwende kracht was tijdens de opkomst van de moderne wetenschap.

Over Van Leeuwenhoeks persoonlijke geloof schrijft Schierbeek:

"Daarnaast moeten we het hebben over zijn diepe godsdienstige zekerheid, zijn volkomen geloof in de "volledig wijze Schepper", een nimmer wankelende bewondering voor de perfectie van de allerkleinste, verborgen mysteries van Gods handwerk en zijn overtuiging dat zijn onderzoek zeker zou helpen om Gods almacht beter bekend te maken onder de mensen. Zonder ooit gebruik te maken van verheven bewoordingen getuigde hij regelmatig van zijn geloof: ‘Laten we de hand op onze mond leggen, en overdenken dat de Volkomen Wijze dit noodzakelijk heeft geacht voor de voortplanting van alles wat [van Hem] beweging en groei heeft ontvangen, en dat wij dus slechts kunnen gissen naar het waarom en waarvoor’" (Schierbeek, p. 31).

Het is ook duidelijk uit zijn houding tegen niet-christelijke bijgeloven, zoals de leer van spontane generatie, dat hij in de Bijbelse scheppingsleer geloofde. Hij vond het dwaas om te denken dat zijn kleine "diertgens" door toeval zouden kunnen zijn ontstaan en hij werkte ijverig om te bewijzen dat alle dingen zich "naar hun eigen soort" voortplanten, zoals het boek Genesis ons leert. Nadat hij wekenlang de voortplanting van insecten had geobserveerd, zei Van Leeuwenhoek bijvoorbeeld: "Dit moet er wonderbaarlijk uitzien en moet een bevestiging zijn van het principe dat alle levende wezens hun oorsprong hebben gehad in die wezens die in het Begin werden gevormd" (Schierbeek, p. 137). Een andere opmerkelijke reeks experimenten met raderdieren sloot hij in 1702 af met de volgende conclusie:

"Het voorgaande soort experimenten heb ik vaak herhaald met hetzelfde succes, met name met een hoeveelheid van het sediment dat ik ongeveer vijf maanden lang in mijn werkkamer had bewaard... In al deze waarnemingen kunnen we bijzonder duidelijk de onbegrijpelijke perfectie, de nauwkeurige orde en de ondoorgrondelijke zorg van de voorzienigheid onderscheiden, waarmee de meest wijze Schepper en Heer van het Universum de lichamen van deze diertgens heeft gevormd, die zo minuscuul zijn dat ze aan ons zicht ontsnappen, met het doel dat diverse van hun soorten zouden kunnen voortbestaan. En deze meest wonderbaarlijke toestand van de natuur met betrekking tot deze diertgens, voor het voortbestaan van hun soort, die ons tegelijkertijd met verwondering vervult, moet toch zeker alle mensen overtuigen van de absurditeit van die oude opvattingen, dat levende wezens kunnen voortkomen uit het bederf van rottende dingen" (Schierbeek, p. 171).

In Van Leeuwenhoeks werken proeven we regelmatig het ontzag en de verwondering die alleen afkomstig kunnen zijn van een man die een vreugdevolle, persoonlijke relatie genoot met God de Schepper. Dan Graves schreef in "Scientists of Faith" (Kregel, 1996): "Hij sprak vaak met hoogachting over de wonderen die God had verricht toen Hij zowel kleine als grote wezens schiep. Zijn deugden waren doorzettingsvermogen, eenvoud en koppigheid. Hij hield meer van de waarheid dan van enige theorie, al was het zijn eigen. Het enige wat hij van zijn opponenten vroeg was dat zij hun stellingen net zo bewezen als hij de zijne had bewezen." [3]

Schierbeek zegt: "Van Leeuwenhoek werd gedreven door een hartstochtelijk verlangen om dieper door te dringen in de mysteries van de schepping. Voor hem, en vele anderen in zijn tijd, was een horloge een groter staaltje vakmanschap dan een klok in een toren; deze mening kwam tot uiting in zijn kijk op de biologie. De microscoop gaf hem de gelegenheid om de kleine organismen, de ‘diertgens’, te bestuderen en te bewonderen. En hij greep elke gelegenheid aan om uitdrukking te geven aan zijn bewondering voor de prachtige dingen die hij zag" (Schierbeek, p. 196).

Van Leeuwenhoek stierf in 1723, niet lang nadat hij zijn laatste waarnemingen had gedicteerd voor de Royal Society. Zijn lange en rijke leven was gevuld met enthousiasme voor wetenschappelijk onderzoek. De microscopie heeft sindsdien een lange weg afgelegd: wetenschappers gebruiken tegenwoordig elektronenmicroscopen met een vergroting van maar liefst 100.000x. Deze zijn honderden malen krachtiger en laten ons wonderen zien die nog verbazingwekkender zijn dan wat Van Leeuwenhoek zag: DNA, moleculaire motoren en de machinerie van de cel. Daarnaast kunnen wetenschappers met weer andere methodes moleculen in elkaar zetten op de schaal van miljardsten van een meter. Maar een uitgestrekt domein van de schepping ligt nog steeds grotendeels verborgen onder de microscoop.

Heb jij de geest van Van Leeuwenhoek? Wij hopen dat dit verhaal mensen zal aanmoedigen om de wetenschappelijke bestudering van de natuur te zien als een bron van grote vreugde en een manier om God te verheerlijken. Dan Graves zei: "Antoni van Leeuwenhoeks leven verheerlijkte God op een groot aantal manieren, maar misschien wel het meest doordat hij ons liet zien dat er veel meer onder de zon te vinden is dan we ooit hadden kunnen vermoeden."

Volgende pagina


1 Clifford Dobell, F. R. S., Protistologist van de Medical Research Council, London, "Antoni van Leeuwenhoek and His ‘Little Animals’", Staples Press Ltd. (Cavendish Place, Londen, 1932), QH 31L55 D6. Dit dikke boek (435 pagina’s) bevat nieuwe Engelse vertalingen van Van Leeuwenhoeks brieven, maar concentreert zich vooral op zijn waarnemingen. De schrijver biedt uitgebreide details over Van Leeuwenhoeks naam, stad, portretten en andere zaken, maar lijkt de aandacht weg te leiden van zijn geloof of geestelijke leven. [Terug naar de tekst]

2 A. Schierbeek, PhD, hoofdredacteur van "Collected Letters of A. v. Leeuwenhoek", voormalig lector in Geschiedenis van de Biologie aan de Universiteit van Leiden, "Measuring the Invisible World: The Life and Works of Antoni van Leeuwenhoek", Abelard-Schuman (Londen en New York, 1959), QH 31 L55 S3, LC 59-13233. Dit boek (223 pagina’s) bevat delen van Van Leeuwenhoeks brieven en concentreert zich op zijn rol in verscheidene nieuwe takken van de wetenschap, maar geeft ook enkele belangrijke verwijzingen naar zijn geestelijke leven en zijn motivatie. [Terug naar de tekst]

3 Dan Graves, "Scientists of Faith", (Kregel Publications, 1996), hoofdstuk 17. [Terug naar de tekst]

Een staaltje van de beste moderne microfotografie kan gevonden worden in "Microcosmos" (Cambridge University Press, 1987) van Jeremy Burgess, Michael Martin en Rosemary Taylor. Het begint met de volgende woorden: "In 1863 beschreef Nederlander Antoni van Leeuwenhoek een verrassende ontdekking in een van zijn vele brieven aan de Royal Society of London. Hij verkondigde dat er meer wezens in zijn mond leefden dan er mensen waren in Nederland... Van Leeuwenhoek was de eerste mens die de wemelende wereld aanschouwde van de wezens die we nu kennen als bacteriën en protozoën." Het boek vervolgt met verbazingwekkende foto’s en beschrijvingen van dingen die Van Leeuwenhoek zich in zijn tijd nooit had kunnen voorstellen.

De uitstekende film Unlocking the Mystery of Life staat bol van uitstekende microfotografie en prachtige computeranimaties van DNA en eiwitten aan het werk. Stel je eens voor hoe verwonderd Van Leeuwenhoek zou zijn geweest als hij de moleculaire machines en fabrieken aan het werk had kunnen zien in de cel, vele orden van grootte kleiner dan de kleinste dingen die hij met zijn lenzen kon waarnemen!