3.5. Carolus Linneaus
(1707-1778)

Carolus Linneaus Wat klinkt wetenschappelijker dan een wetenschappelijke naam? Wetenschappelijk gesproken is je hond Canis familiaris. Je kat is Felis domesticus. Een grizzlybeer is Ursus horribilus, en jij bent Homo sapiens. Het gebruik van twee Latijnse namen die het geslacht en de soort aanduiden ("binomiale nomenclatuur" genaamd), is het fundament van de taxonomie, het wetenschappelijke vakgebied dat levende dingen classificeert. Dit is afkomstig uit het werk van Carl Linnaeus. Waarom had hij de enorme taak op zich genomen om de planten en dieren te classificeren? Zijn inspiratie kwam uit het eerste hoofdstuk van de Bijbel, waarin we lezen dat God de planten en dieren zo heeft geschapen dat ze zich "naar hun soort" voortplanten. Linnaeus probeerde de aard vast te stellen van de Genesissoorten.

Linnaeus wordt terecht "de vader van de taxonomie" genoemd. Zijn classificatiestelsel neemt aan dat organismen geplaatst kunnen worden in herkenbare diergroepen in geneste hiërarchieën. Op het laagste niveau bevinden zich de soorten, die losjes gedefinieerd zijn als organismen die (met elkaar) vruchtbaar nageslacht kunnen voortbrengen. Merk op dat dit gecompliceerd wordt door het feit dat we dit niet kunnen bepalen voor fossielen en dat het reproductieve succes van een groot aantal levende organismen moeilijk bepaald kan worden. En soms zien mannetjes en vrouwtjes van dezelfde soort er zó verschillend uit dat ze foutief geclassificeerd worden als twee afzonderlijke soorten.

Soorten worden soms onderverdeeld in ondersoorten en variëteiten, die vaak aangeduid worden met een derde Latijnse naam (bijv. "Homo sapiens sapiens"), of met een aanduiding van de variëteit (bijv. "Hedera helix var. sinensis" , een variëteit van de klimop). De soort, zoals gezegd de onderste laag van de hiërarchie, wordt aangeduid door de tweede term in het Linnaeaanse systeem en wordt zonder hoofdletter geschreven. De eerste term, die wél met een hoofdletter wordt geschreven, is de volgende eenheid in de hiërarchie: het geslacht. Als we door de hiërarchie omhoog klimmen, zien we vervolgens families, ordes, klassen, stammen en rijken.

Het is duidelijk dat de geneste hiërarchie een probleem is voor de evolutieleer. Hoe hoger in het stelsel, hoe groter de gaten tussen de verschillende types. Denk bijvoorbeeld op het niveau van de stammen aan de enorme verschillen tussen een zeester (een stekelhuidig dier) en een vis (een chordadier), of tussen een kever (een geleedpotig dier) en een slak (een weekdier). Binnen elke stam vinden we een groot aantal gemeenschappelijke eigenschappen, maar er bestaan grote, systematische kloven tussen de stammen, klassen, ordes en families. Huiskatten, lynxen, leeuwen, tijgers en jachtluipaarden hebben een groot aantal eigenschappen met elkaar gemeen binnen de kattenfamilie, maar in alle ons bekende gevallen zijn deze dieren zeer verschillend van de leden van de hondenfamilie. Katten en honden behoren beide tot de klasse mammalia (zoogdieren), maar alle zoogdieren zijn zeer verschillend van alle dieren in de klasse aves (vogels). Zoogdieren en vogels hebben bepaalde eigenschappen met elkaar gemeen (een ruggengraat) binnen de stam chordata (onderstam vertebrata, de gewervelde dieren), maar alle gewervelde dieren zijn zeer verschillend van mossels in de stam mollusca. Hoger in de hiërarchie zien we dat de leden van het plantenrijk zelfs nog sterker verschillen van de leden van het dierenrijk.

Datzelfde plaatje, wat betreft de gaten tussen de groepen, bestaat in het fossielenbestand. Dat is een vaststaand feit voor zowel creationisten als evolutionisten. Die laatsten kijken naar de data en leiden hieruit af dat er een vertakkende boom is die al deze fossielen met elkaar verbindt, maar het feitelijke empirische bewijs toont slechts de toppen van die takken, niet de stammen of de vertakkingen. Het werkelijke plaatje ziet er meer uit als een gazon dan als een boom: kleine groepen organismen op het niveau van de soorten vertonen variaties, maar er is geen enkel bewijs, levend of fossiel, dat de ene "soort" dieren kan veranderen in een andere. Een spons verandert niet in een kwal, een vis niet in een salamander en een koe niet in een paard. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het niveau van de soorten het enige niveau is dat we werkelijk kunnen waarnemen. De andere relaties - families, ordes, klassen en stammen - worden hier allemaal uit afgeleid, omdat ze een of meer eigenschappen met elkaar gemeen hebben.

Het kan voor taxonomen verwarrend zijn in welke stam of klasse een organisme ingedeeld moet worden, omdat veel dieren en planten zijn opgebouwd uit een mozaïek van eigenschappen uit verschillende groepen. Denk maar eens aan het vogelbekdier. Het legt eieren als een reptiel, heeft poten met zwemvliezen als een eend, een giftige spoor als een ratelslang en een vacht als een zoogdier. Classificatie kan nog verwarrender zijn in het geval van ééncellige organismen. Daarnaast is de plaatsing van een organisme in het stelsel vaak een arbitraire keuze. De familie van de zonnebloem is bijvoorbeeld een vergaarbak voor een grote verscheidenheid aan bedektzadige planten die niet goed in andere families passen. Evolutionisten hebben veel moeite met dit soort "mozaïeken" en beroepen zich vaak op het fenomeen van de zogenaamde "convergente evolutie" wanneer hun gevraagd wordt om te verklaren hoe niet-verwante organismen toch bepaalde eigenschappen met elkaar gemeen kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld de opmerkelijke overeenkomsten tussen de placentadieren en hun "dubbelgangers", de buideldieren.

Aan de andere kant is het vaak moeilijk om te bepalen waar de grenzen van de soorten liggen. Bisons en een groot aantal andere soorten vee kunnen onderling gekruist worden (heb je ooit een heerlijke "biefalo" gegeten?). Paarden, ezels en zebra’s kunnen slechts beperkt met elkaar gekruist worden, net als leeuwen en tijgers, maar toch zouden de meesten onder ons elk van deze dieren als afzonderlijke soorten beschouwen. Op het niveau van de soorten kunnen organismen een enorme variëteit aan afmetingen, vorm en kleur vertonen; denk bijvoorbeeld aan honden, duiven en rozen. Maar hogerop, op het niveau van de geslachten en de families, lijken er striktere grenzen te bestaan. Nog nooit heeft iemand een hond in een kat zien veranderen, of een goudvis in een zeepaard.

Evolutionisten zijn van mening dat veranderingen grenzeloos kunnen optreden en dat alle dingen aan elkaar verwant zijn, maar dat is een geloofsovertuiging, geen waargenomen feit. Zelfs fokkers en telers (van paarden, honden, rozen, suikerbieten, enzovoorts) weten dat zij slechts beperkte variatiemogelijkheden hebben en dat ze een bepaalde eigenschap op een gegeven moment niet meer verder kunnen veranderen. Wanneer we de ruwe data bekijken, zonder enige evolutionistische vooronderstellingen, zien we dit: levende organismen die georganiseerd zijn in groepen, binnen groepen, binnen groepen, waarbij de belangrijkste groepen door grote gaten van elkaar gescheiden zijn. Het classificatiestelsel van Linnaeus is een weerspiegeling van het waargenomen bewijs. Al bestaan er hier en daar enige twistpunten en verwarring, toch heeft het systeem de tand des tijds doorstaan. Het is triest dat sommige evolutionisten hebben geprobeerd om een alternatief classificatiesysteem, de "PhyloCode", te introduceren. Hierin worden planten en dieren naar hun vermeende evolutionaire relatie gerangschikt. Als men erin zou slagen om een dergelijk systeem erdoor te drukken, zou het de verwarring alleen maar vergroten. Op deze manier zouden namelijk evolutionistische aannames deel gaan uitmaken van de manier waarop de data worden bekeken.

De jonge Carl was een liefhebber van de planten- en dierenwereld, net zoals zijn vader, een lutherse predikant en een noeste tuinier. Zijn vader hoopte dat Carl in de bediening zou gaan, maar het was duidelijk dat de jongen een geboren naturalist was. Ook al zou hij uiteindelijk voor een carrière in de medische wereld kiezen - en ook professioneel geneeskunde onderwijzen - toch werd Carls hart onophoudelijk aangetrokken tot de natuurlijke wereld. Hij werd beschreven als een werkverslaafde met een manie voor organisatie. Hij hield van leren, lezen en kennis. Hij was bovendien lichamelijk sterk en fit. Carl heeft die eigenschappen ongetwijfeld nodig gehad bij het monsterkarwei om elke plant en elk dier op aarde te classificeren!

Er waren hem al mensen voorgegaan met een vergelijkbare passie. John Ray, de Engelse naturalist die twee jaar voor de geboorte van Linnaeus was gestorven, was een gelijkgezinde naturalist, die overigens eveneens een christen en creationist was. Maar het universele classificatiestelsel dat gebruikmaakte van de binomiale nomenclatuur was de uitvinding die door Linnaeus in het vakgebied werd geïntroduceerd. Hij koos voor Latijn, niet alleen omdat het indertijd de universele wetenschapstaal was, maar ook omdat het als uitgestorven taal stabiel en onveranderlijk was. Het maakte een universeel stelsel mogelijk dat alle naturalisten in alle landen konden gebruiken om met elkaar te communiceren, hun ontdekkingen te publiceren en hun bevindingen te vergelijken met die van anderen. Op 40-jarige leeftijd verlatijnste Carl zijn naam tot Carolus Linnaeus, de naam onder welke hij het meest bekend is. In 1735 verhuisde hij naar Nederland, waar hij drie jaar verbleef. Daarna keerde hij naar Zweden terug, waar hij zijn leven sleet als dokter en professor. Zijn hele leven lang bleef taxonomie zijn obsessieve hobby.

Carl von Linne (zoals hij werd genoemd nadat hij in de adelstand werd verheven) geloofde aanvankelijk dat het mogelijk was om elk levend wezen op aarde te classificeren. Op 25-jarige leeftijd ontving Carl een studietoelage van de Universiteit van Uppsala om een tocht van meer dan 1500 kilometer door Lapland te maken om planten te catalogiseren. We kunnen alleen maar dromen van de verrukkingen en de gevaren, de vermoeidheid en de bevredigende momenten die deze scheppingssafari hem moet hebben gegeven, terwijl hij door ijzige stroompjes waadde, door moerassen ploeterde en wantrouwige landeigenaren probeerde te ontwijken. Hij hield gedetailleerde dagboeken bij en catalogiseerde duizenden planten. Hieraan voegde hij nog veel meer toe op een vergelijkbare tocht door Zweden. Op zijn queeste om alle soorten "in Gods hof" te catalogiseren legde Linnaeus een afstand van meer dan zesduizend kilometer af. Te voet! Hij wist dat enthousiasme ook over te dragen op zijn studenten; zij gingen regelmatig op lange en zware tochten in verre landen om nog meer monsters te verzamelen (volgens Dan Graves stierf een derde van hen op deze gevaarlijke reizen). Zijn hele leven lang bleef Linnaeus zijn catalogus bijwerken, uitbreiden en verbeteren. Zijn nalatenschap bevatte daarnaast de Linnaean Society, het internationale taxonomische instituut dat tot op de dag van vandaag is blijven voortbestaan.

"Linnaeus was een degelijk creationist," zegt Dan Graves, maar hij merkt op dat "bepaalde aspecten van zijn theorieën enigmatisch waren. Hij leek te hebben getwijfeld aan een wereldwijde zondvloed. Hij was van mening dat sedimenten over lange tijdsperioden werden afgezet. Hij besteedde weinig aandacht aan fossielen en stond erop dat mensen bij de apen werden ingedeeld." Toch geloofde Linnaeus niet in enige vorm van de evolutieleer. Hij geloofde krachtig dat de soorten die God in de hof van Eden had geschapen nog steeds bestonden. Hoewel hij aanvankelijk in onveranderlijke soorten geloofde, liet hij later ruimte voor het idee dat er binnen de Genesissoorten bepaalde variaties konden plaatsvinden.

Linnaeus schreef in rapsodische bewoordingen over de wijsheid van God in de schepping. Dan Graves geeft ons enkele voorbeelden:

"Men kan alleen maar compleet versteld staan van de vindingrijkheid van de Schepper."

"Ik zag de oneindige, alwetende en almachtige God van achteren... ik volgde zijn voetsporen door de velden van de natuur en zag overal een eeuwige wijsheid en macht, een ondoorgrondelijke perfectie."

Linnaeus introduceerde het idee om planten te classificeren naar hun voortplantingssystemen. Soms ging hij in zijn enthousiasme wellicht wat te ver met zijn beschrijvingen: "De bladeren van de bloemen... dienen als bruidsbedden die de Schepper zo glorieus heeft gerangschikt, opgesmukt met zulke adellijke bedgordijnen, en geparfumeerd met zo veel zachte geuren dat de bruidegom en zijn bruid daar hun bruiloft met des te meer solemniteit zouden kunnen vieren." Niettegenstaande het romantisme, kan er nog iemand aan twijfelen dat een sterk geloof in het scheppingsverhaal uit het boek Genesis een krachtige stimulans voor wetenschappelijk onderzoek kan zijn?

Linnaeus zette zijn classificatie van planten en dieren voort tot in zijn zestiger jaren. Toen werd hij getroffen door een reeks beroertes. Het titelblad van zijn meesterwerk Species Plantarum, het werk dat de taxonomie een plaats gaf als wetenschappelijk vakgebied, is een passage uit de Psalmen die gezien kan worden als een levensvers van alle grote scheppingswetenschappers, in het verleden en in het heden, die het met net zo veel overtuiging hebben geciteerd:

"Wat heeft U alles toch mooi gemaakt, Heer! Alles zit zo knap en zo wijs in elkaar! De aarde is vol met de prachtige dingen die U heeft gemaakt." (Psalm 104:24)

Volgende pagina