6.10. Darwin gaf een fout toe die zijn theorie verzwakt

Charles Darwin corrigeerde in latere uitgaven van "De oorsprong der soorten" een foutief idee dat in de originele versie was opgenomen aangaande de werking van natuurlijke selectie. Met zijn gebruikelijke openheid bekende hij dat hij, voordat hij in 1867 een artikel in de North British Review las, "niet had ingezien hoe zeldzaam het is dat afzonderlijke variaties kunnen voortbestaan, ongeacht of ze zwak of sterk getekend zijn". Omdat slechts een klein gedeelte van de organismen van elke generatie overleeft, paste Darwin dit principe ook toe op een individu met een positieve variatie door te zeggen dat "de statistieken sterk in het nadeel van zijn voortbestaan zouden werken." Maar laten we eens aannemen dat een organisme met een positieve variatie overleeft en dat de helft van zijn nakomelingen deze variatie erft. Darwin toonde aan dat de kans op voortbestaan van elke afzonderlijke nakomeling dan zeer klein zou zijn en dat "deze kans in de daaropvolgende generaties zou blijven afnemen. Ik denk dat de billijkheid van deze opmerkingen niet kan worden betwist."

Dit was natuurlijk een zware klap in het gezicht van de evolutietheorie. Darwin probeerde het probleem te omzeilen door te vertrouwen op het idee dat deze onwaarschijnlijkheid misschien overwonnen zou kunnen worden als een bepaalde variatie in grote aantallen in een populatie zou voorkomen. Over het voortbestaan van zo’n variatie zei hij: "Afgaand op wat we waarnemen bij de domesticatie van dieren... zou dit resultaat volgen uit het voortbestaan over vele generaties van een groot aantal individuen" [1] met de betreffende variatie. Maar we kunnen opmerken dat de situatie volkomen verschillend is voor tamme dieren, waarin een groot percentage van elke generatie overleeft. Dit maakt de vergelijking ongeldig.

Hoewel dappere pogingen, die sindsdien door evolutionisten zijn gedaan, weliswaar gedeeltelijk succesvol zijn geweest om dit probleem waarop Darwin de aandacht vestigde te verkleinen, blijft het toch een zeer werkelijk probleem.

Het belangrijkste idee van de evolutietheorie werd in zijn boek voorgesteld als een geleidelijk, stapsgewijs proces. Kleine variaties zouden door natuurlijke selectie behouden worden en, mogelijk na lange tijdsintervallen, gevolgd worden door verdere variaties in dezelfde richting. Darwin gaf toe dat zijn idee "een aanname" was. "Maar of het waar is," zo ging hij verder, "kunnen we alleen beoordelen door te zien hoe ver de hypothese overeenstemt met en een verklaring geeft voor de algemene fenomenen in de natuur." [2] Het bewijs dat zich sindsdien heeft opgestapeld is eerder een weerlegging van die aanname dan een bevestiging. Desondanks heeft een groot aantal van de tegenwoordige Darwinvolgelingen het zicht volledig verloren op het feit dat het nooit meer was dan een aanname.

Volgende pagina


1 Charles Darwin, "The Origin of Species", Mentor Edition (New York: New American Library, 1958); alle voorgaande citaten staan op pp. 96, 97. [Terug naar de tekst]

2 Idem, p. 91. [Terug naar de tekst]