11.11. De amoebe vertraagd tot één ångström per vijftien miljard jaar

Hoe lang is deze (gemiddelde) tijdspanne waarin één enkel gen door toeval zou kunnen ontstaan? Met een waarschijnlijkheid van slechts eens in de 10147 jaar, zou de amoebe, die we in een eerder hoofdstuk beschreven, een groot aantal volledige universa over de hele diameter van het heelal kunnen verplaatsen, terwijl het toeval nog steeds bezig is met pogingen om een willekeurig bruikbaar gen te scheppen!

Het is interessant om nu eens de kleinste snelheden te overpeinzen die ons verstand kan bevatten. De diameter van een waterstofatoom is ongeveer 1 ångström (10−10 meter). Stel dat onze amoebe uit hoofdstuk 8 niet meer dan die afstand heeft afgelegd sinds het begin van het heelal (weer met de aanname dat de leeftijd van het heelal 15 miljard jaar is). Als de kleine reiziger zich zou blijven voortbewegen met die ongelooflijke slakkengang, zal hij 3.810.000.000.000.000.000 jaar nodig hebben om slechts één inch (2.54 centimeter) af te leggen!

Met een dergelijk lage snelheid zou de amoebe er 4 x 10125 jaar over doen om het hele heelal naar de andere kant te dragen. Op deze manier zou het kleine kruipertje nog steeds genoeg tijd hebben om 2 x 1021 volledige universa helemaal van de ene naar de andere kant van het heelal te dragen (de aangenomen afstand is dertig miljard lichtjaar), en dat één atoom tegelijkertijd. Het toeval zou diezelfde tijdspanne nodig hebben om één enkel gen voort te brengen, in welke bruikbare volgorde dan ook, zelfs als hiervoor alle atomen in het hele heelal beschikbaar zouden zijn!

Als alle mensen die op aarde leven – mannen, vrouwen en kinderen - dag en nacht zouden gaan tellen (één, twee, drie...), zouden ze samen vijfduizend jaar nodig hebben om het aantal volledige universa te tellen dat de amoebe in bovengenoemde tijdspanne zou kunnen verplaatsen. En vergeet niet dat het toeval in deze proef alle atomen in het volledige heelal kon gebruiken.

Volgende pagina