10.12. De evolutieleer heeft geen oplossing voor de oorsprong van het leven

Professor Parker legt uit waarom het leven niet spontaan zou kunnen zijn begonnen, ongeacht of men begint met eiwitten, met DNA, of met beide:

"Er is één iets dat eiwitmoleculen niet kunnen: reproduceren. Reproductie is de functie van DNA. DNA kan zichzelf reproduceren.. en DNA kan eiwitten reproduceren…
Maar, DNA kan noch zichzelf nauwkeurig reproduceren noch eiwitten maken zonder een legioen helpers, waaronder verscheidene reeds bestaande eiwitmoleculen. Het leven is dus afhankelijk van de relatie tussen DNA en eiwit-DNA (of gerelateerd nucleïdezuur) voor reproductie en afhankelijk van eiwitten voor structuur en functie. Deze DNA-eiwit-relatie is de basis voor het leven van virussen en alle ons bekende levensvormen.
[1]

Een ander dilemma werd beschreven in een eerder vermelde voetnoot (voetnoot 1, hoofdstuk 10.9). Er bestaat geen echte oplossing voor dat probleem, dat we als volgt kunnen beschrijven. Allereerst moeten er aminozuren gevormd worden. Dit vereist een andere, primitieve atmosfeer zonder zuurstof, maar wel met ultravioletstralen die het aardoppervlak bereiken. Maar ultravioletstraling is dodelijk voor zowel eiwitten als DNA (en RNA). Zelfs als het leven op de een of andere natuurlijke manier kon beginnen en zelfs als er uiteindelijk algen en planten zouden zijn om zuurstof te produceren (en ozon, dat uit zuurstof wordt gevormd), dan zouden er misschien wel miljoenen jaren nodig kunnen zijn om de ozonlaag op te bouwen. Deze laag bevindt zich nu vele kilometers boven de aarde in de bovenste laag van de atmosfeer en vormt een veiligheidsschild voor de levende wezens op het aardoppervlak.

Bovendien hebben algen de neiging om dicht bij het wateroppervlak te leven. Zij zouden zich dus op het dodelijke pad van deze stralen bevinden. De fotosynthetiserende bacteriën die soms op een veilige diepte onder het wateroppervlak van kleine meren leven gebruiken een eenvoudiger vorm van fotosynthese die geen zuurstof produceert. Die zouden dus niet kunnen helpen bij de opbouw van de ozonlaag.

Een ander probleem, beschreven in voetnoot 3 van hoofdstuk 10.9, is dat sommige wetenschappers nu geloven dat de temperatuur zich in die tijd onder het vriespunt bevond, lager dan de temperaturen waarbij levende cellen überhaupt kunnen leven (hoewel ze misschien net in staat zouden kunnen zijn om bij die temperatuur te overleven).

Ter afsluiting van dit hoofdstuk kunnen we concluderen dat er geen reden is om te geloven, op basis van feitelijk bewijs of logische overwegingen, dat er ooit een levend wezen is geweest dat minder complex of minder georganiseerd was dan de eenvoudigste levende cel die we tegenwoordig kennen.

In het volgende hoofdstuk zullen we de wetten van de kansrekening toepassen op de gulden molecule van het DNA. We zullen het dan zo gemakkelijk mogelijk maken voor het toeval. In plaats van uit te gaan van de kleinste ons bekende cel, zullen we weer gebruik maken van het kleinere theoretisch "minimale levende systeem" dat resulteerde uit het onderzoek van Morowitz aan de National Aeronautics and Space Administration.

Laten we nog even in herinnering roepen dat het toeval meer dan 5 triljoen pogingen nodig heeft om het woord "evolutie" één keer te spellen; het idee dat verbazingwekkende deeltjes als DNA door toeval zouden kunnen zijn ontstaan lijkt absurd. De kans op een toevallig geordende reeks van genen gaat ons bevattingsvermogen te boven.

Volgende pagina


1 Gary E. Parker, "Origin of Life on Earth", p. 4.[Terug naar de tekst]