11.9. De misvatting dat tijd het extreem onwaarschijnlijke kan produceren

Mensen die erop gebrand zijn om leven uit niet-leven te verkrijgen richten hun hoop soms op het idee dat het toeval, over meerdere miljarden jaren, op een groot aantal verre locaties in het heelal leven heeft gevormd. Zij zijn van mening dat er in al die tijd en met al die beschikbare materie toch zeker wel vele malen leven moet zijn ontstaan.

Frans paleontoloog André de Cayeux citeerde een Russisch wetenschapper, Kostitzin, die zei dat in het hele heelal "de ontwikkeling van een onwaarschijnlijke toestand niet onmogelijk is, en dat het niet ontwikkelen van een dergelijke toestand niet erg waarschijnlijk is." [1] Een ander voorbeeld van een dergelijke aanname werd geschreven door vermaard medisch onderzoeker George Wald in zijn epische artikel "The Origin of Life" ("De oorsprong van het leven"). Hij schreef:

Het belangrijke is dat de tijd in het voordeel speelt van de oorsprong van het leven, omdat die in de categorie valt van de fenomenen die op zijn minst één keer hebben plaatsgevonden.

Hoe onwaarschijnlijk we deze gebeurtenis ook mogen beschouwen, of elk van de stappen die erbij betrokken zijn, toch zal deze bijna zeker op zijn minst één keer plaatsvinden, als er maar genoeg tijd beschikbaar is…

De tijd wordt hiermee feitelijk de held van het verhaal. De tijdspanne waarmee we te maken hebben is in de orde van grootte van twee miljard jaar. Wat we op basis van onze menselijke ervaring als onmogelijk beschouwen is hier betekenisloos. Met zo veel tijd als uitgangspunt wordt het "onmogelijke" mogelijk, het mogelijke waarschijnlijk, en het waarschijnlijke virtueel zeker. Men hoeft slechts te wachten: de tijd zelf verricht de wonderen.
[2]

Als deze "logica" voor waar wordt aangenomen, dan zou het een makkelijke manier voor materialisten zijn om dit wonder van de oorsprong van het leven voor elkaar te krijgen. De misvatting zit in de grootte van de getallen.

Je zou kunnen vermoeden dat dr. Wald, net als Kostitzin, er gewoonweg niet aan toe is gekomen om uitgebreide wiskundige berekeningen op dit probleem los te laten. We moeten ook onthouden dat de kennis over het DNA-systeem (en eiwitten) nogal gelimiteerd was toen hij dit schreef, vergeleken met het heden. Het moet opgemerkt worden dat hij een tijdspanne van ongeveer 2 x 109 jaar noemt. Hij neemt aan dat het volledige tegenwoordige scala aan levende organismen uit niet-levende chemicaliën in die tijd is geëvolueerd.

Vergelijk dit getal, om het contrast te zien, eens met het getal dat we in de voorgaande pagina’s hebben berekend, namelijk een kans van 1 op 10147 jaar onder randvoorwaarden die extreem gunstig waren voor het toeval. Een kans op wat? Om slechts één bruikbaar gen te verkrijgen. Maar er zijn op zijn minst 124 genen nodig om voor de verschillende soorten eiwitten van Morowitz’ minimale levende entiteit te coderen, zoals we eerder beschreven. Met alle 124 genen noodzakelijk zal het dus nooit een geval zijn waarin "op zijn minst één keer" een complexe molecule zou moeten worden verkregen.

Het zou ontmoedigend zijn om 10147 jaar te moeten wachten op één gen, want 10147 is duizend miljard, miljard, miljard…. (tot het woord miljard zestien keer gebruikt is). Zelfs als het inderdaad "slechts één keer" zou plaatsvinden, zijn we er nog steeds niet helemaal uit. Het zou dan slechts één van de vele complexe onderdelen zijn die zich allemaal op de juiste positie moeten bevinden voordat het kleinst mogelijke levende organisme zou kunnen leven. Om de waarschijnlijkheid van al deze onderdelen te berekenen zouden de kansen op elk van deze bij elkaar opgeteld moeten worden.

Volgende pagina


1 André de Cayeux, Three Billion Years of Life (New York; Stein and Day, 1969), p. 208. [Terug naar de tekst]

2 George Wald, "The Origin of Life", Scientific American (augustus 1954), p.48. [Terug naar de tekst]