8.4. De reizende amoebe

Stel je eens een amoebe voor. Dit microscopische ééncellige dier lijkt een beetje op een dunne speelgoedballon die ongeveer tot een kwart gevuld is met water. Om zich voort te bewegen wiebelt of glibbert het beestje langzaam vooruit.

Deze amoebe begeeft zich op een lange reis, van het ene uiteinde van het heelal helemaal naar het andere uiteinde. Astronomen speculeren tegenwoordig dat de straal van het heelal zo'n 15 miljard lichtjaar bedraagt, en daarom zullen we een diameter aannemen die het dubbele is van die afstand.

Laten we eens aannemen dat de amoebe ongeveer een inch (2.54 centimeter) per jaar aflegt. Stel je een of andere brug voor - denk aan een draad - waarover de amoebe kan reizen. Als we de afstand vertalen naar inches, dan zien we dat deze ongeveer 1028 inches bedraagt. Met een snelheid van een inch per jaar kan deze kleine ruimtereiziger de overtocht in 1028 jaar maken.

De amoebe heeft een taak: draag een atoom naar de andere kant, en kom dan terug om nog een atoom op te halen. Het uiteindelijke doel is om op deze manier de massa van het hele heelal over de hele lengte van het heelal te dragen! Elke heen- en terugreis duurt 2 x 1028 jaar. We moeten ons de amoebe dan natuurlijk wel voorstellen als een bijzonder slijtvast en vastberaden diertje!

De tijd die onze amoebe nodig heeft om alle atomen van de ene naar de andere kant van het heelal te dragen, één atoom per oversteek, is gelijk aan de benodigde tijd voor een enkele oversteek vermenigvuldigd met het aantal atomen in het heelal, 5 x 1078. Wanneer we deze vermenigvuldiging uitvoeren, is het resultaat afgerond 10107 jaar. Dat is dus de tijdsduur die de amoebe nodig zou hebben om het hele heelal van de ene naar de andere kant te dragen, één atoom per keer.

Maar wacht. Het aantal jaren waarin we kunnen verwachten dat één eiwit zich door toeval zou kunnen vormen is veel groter dan dat getal. Dat was immers 10171. Als we dat getal delen door de tijdsduur die de langzame amoebe nodig heeft om het hele heelal te verplaatsen, dan kunnen we de volgende verbazingwekkende conclusie trekken: De amoebe zou 1064 universa over de hele diameter van het ons bekende heelal kunnen dragen in de verwachte tijdsduur die nodig is om één enkel eiwit door toeval te laten ontstaan, onder randvoorwaarden die het toeval bijzonder welgezind zijn!

Maar stel je nu eens het volgende voor. Neem nu eens aan dat de amoebe zich in de volledige geschiedenis van het heelal slechts één inch had voortbewogen (weer met de aanname dat het heelal 15 miljard jaar oud is). Als hij zich met die snelheid zou blijven voortbewegen, zodat hij in elke 15 miljard jaar één inch zou afleggen, dan gaat het aantal universa dat hij over die vreselijk lange kilometers zou kunnen dragen ons verstand nog steeds te boven, namelijk meer dan 6 x 1053. En in al die tijd zou slechts één enkel eiwit door het toeval kunnen worden voortgebracht. [1]

Vroeger of later zal ons verstand het idee aanvaarden dat het niet de moeite waard is om te wachten op een toevallig voortgebracht eiwit... als we de wetenschappelijke kansrekening serieus nemen. Raketwetenschappers, zoals Wernher von Braun, gebruiken dezelfde vermenigvuldigingsregel die aan de basis van deze berekeningen ligt. [2] Het is een regel die ons helpt om astronauten succesvol naar de maan te sturen.

Volgende pagina


1 1064 gedeeld door 15 miljard (1,5 x 1010) = 6,6 x 1053 [Terug naar de tekst]

2 Wernher von Braun, Space Frontier, New Edition (New York: Holt, Rinehart en Winston, 1971), pp. 108, 109. [Terug naar de tekst]