De werken van Robert Boyle



In zijn eigen woorden

Noot: het is even wennen wanneer we Boyles werken lezen. Er is nogal wat veranderd op het gebied van spelling, betekenis en stijl sinds de 17e eeuw. Onderwijzers uit onze tijd zouden een groot aantal rode kanttekeningen plaatsen bij zijn lange zinnen, zijn overvloedig gebruik van komma's en de vele gedachtesprongen (vaak midden in een zin) die in zijn tijd gezien werden als goed schrijfwerk. Maar de wijsheid en diepte van zijn woorden zal desondanks duidelijk blijken uit deze korte vertaalde voorbeelden van zijn omvangrijke werk.

Tenzij anders aangegeven zijn de volgende passages vertaald uit
"Robert Boyle on Natural Philosophy" van Marie Hall [1].


Korte citaten van Robert Boyle

Over de rol van christen en wetenschapper:
Er bestaat geen tegenstrijdigheid wanneer een mens een ijverig virtuoso is én een goed christen.
–The Christian Virtuoso [2]

Over de ontwerphypothese:
De uitgestrektheid, schoonheid en ordelijkheid van de hemellichamen, de uitmuntende structuur van dieren en planten, en de andere fenomenen van de natuur leiden een intelligente en onbevooroordeelde waarnemer tot de conclusie dat er een oppermachtige, rechtvaardige en goede auteur [van dit alles] is.
– geciteerd door Mulfinger [3]

Over "eerste oorzaken":
Is het wijs om je bezig te houden met discussies over de eigenschappen van een atoom, en het onderzoek naar de eigenschappen van de grote God, die alles geschapen heeft, te veronachtzamen?
– geciteerd door Mulfinger [3]

Over redetwisten:
Een mens kan een voorvechter van de waarheid zijn zonder een vijand van beleefdheid te worden.
– geciteerd door Mulfinger [3]

In zijn laatste wil, schreef hij het volgende aan de Royal Society:
...en ik wens hun ook een hoogst gelukkig succes toe in hun prijzenswaardige pogingen om de werkelijke aard van de werken van God te ontdekken, en ik bid dat zij en alle andere onderzoekers van de fysieke waarheden hun prestaties hartgrondig mogen toeschrijven aan de glorie van de Auteur van de Natuur, en het goed van de mensheid.
– geciteerd door Mulfinger [3]

Over twijfels:
Hij die nooit aan zijn geloof heeft getwijfeld, mag terecht twijfelen aan zijn geloof.
– geciteerd door Edward B. Davis [4]

Persoonlijk getuigenis:
Ik ben niet een christen omdat het de godsdienst van mijn land en van mijn vrienden is. Wanneer ik ervoor kies om het reeds gebaande pad te begaan, dan is dat niet omdat ik vind dat dit nu eenmaal het pad is, maar het mijn oordeel is dat dit de juiste weg is.
– geciteerd door Edward B. Davis [4]

Over godvruchtigheid:
We moeten het nooit wagen om te ver van God af te dwalen, onder de aanname dat de dood nog ver genoeg van ons is verwijderd, maar juist op het hoogtepunt van onze vrolijkheid zouden we moeten proberen om eraan te denken dat de mensen die vandaag feestvieren morgen wel eens een feest voor de wormen zouden kunnen zijn.
– uit "Occasional Reflections", geciteerd door Edward B. Davis [4]

Over vermeende tegenstrijdigheden tussen Bijbel en wetenschap:
Als we alle irrationele meningen terzijde schuiven, die op een onredelijke manier worden toegeschreven aan de christelijke godsdienst, alsook alle foutieve ijdele gedachten, die weerzinwekkend zijn voor het christendom en die zonder goede reden worden toegeschreven aan de filosofie, zullen er slechts weinig schijnbare tegenstrijdigheden bestaan tussen godgeleerdheid en werkelijke filosofie, en helemaal geen werkelijke.
– geciteerd door John Dillengerger [5]

Over de motivatie voor wetenschappelijk onderzoek:
Uit kennis van zijn werk, zullen wij Hem kennen.
– geciteerd door John Hudson Tiner [6]


De vereisten van een goede hypothese

    Dit waren mogelijk de hoofdlijnen van een onvoltooide verhandeling over wetenschapsfilosofie door Robert Boyle. Het is verhelderend om deze criteria te vergelijken met Darwins evolutietheorie.

De vereisten van een goede hypothese zijn:

  1. Dat zij begrijpelijk is.
  2. Dat zij geen onmogelijke, onbegrijpelijke, absurde of aantoonbaar onjuiste dingen aanneemt of veronderstelt.
  3. Dat alle onderdelen van de hypothese met elkaar in overeenstemming zijn.
  4. Dat zij geschikt en afdoende is om de fenomenen te verklaren, met name het hoofdfenomeen.
  5. Dat zij op zijn minst consequent is met de andere fenomenen waaraan zij in het bijzonder gerelateerd is; en dat zij geen andere bekende natuurlijke fenomenen of gemanifesteerde fysieke waarheid tegenspreekt.

De eigenschappen en voorwaarden van een uitmuntende hypothese zijn:

  1. Dat zij niet kwetsbaar is, maar voldoende grond heeft in de aard van het ding zelf, of op zijn minst aangeprezen wordt door enkele bijkomende bewijsstukken.
  2. Dat zij de eenvoudigste is van alle goede [hypothesen] die wij kunnen formuleren, en op zijn minst niets bevat wat overbodig of niet ter zake doet.
  3. Dat zij de enige hypothese is die de fenomenen kan verklaren, of op zijn minst de enige die hen zo goed verklaart.
  4. Dat zij een bekwame naturalist het vermogen schenkt om toekomstige fenomenen te verklaren op basis van hun overeenkomsten of verschillen met de hypothese zelf; en vooral de gebeurtenissen in experimenten die juist zijn opgezet om [de hypothese] te onderzoeken als dingen die zouden moeten of niet zouden moeten plaatsvinden, om ermee in overeenstemming te zijn.

De uitmuntendheid van de theologie, vergeleken met de natuurfilosofie (daar beide onderwerp zijn van bestudering door de mens)

Geschreven in 1665, gepubliceerd in 1974 (uittreksel).

    In deze passage beschrijft Boyle de voordelen die een wetenschapper heeft ten opzichte van een predikant als getuige voor ongelovigen.

Ik ben niet zó onbekend met de gemoedstoestand van deze tijd, en van het soort mensen dat het volgende traktaat waarschijnlijk het meest zal beschouwen, dat ik niet zou voorzien dat het heel waarschijnlijk is dat sommigen zullen vragen om welke reden een dergelijke uiteenzetting überhaupt werd geschreven, en dat anderen misnoegd zullen zijn dat zij door mij geschreven is. Degenen die weten wat mij ertoe heeft aangezet om de pen op te pakken aangaande dit onderwerp, zullen daarvan grotendeels op de hoogte zijn gebracht door deze brief zelf, waarin op diverse plaatsen, vooral in het begin en in de afsluiting, de motieven die mij hebben uitgenodigd om een en ander op papier te zetten, voldoende zijn uitgedrukt. En hoewel diverse van deze dingen op een bijzondere manier zijn toegepast, en (als ik zo vrij mag spreken) gepast zijn voor de persoon aan wie de brief is gericht, toch is zijn onderwaardering, die ik hem wil ontraden, van de bestudering van heilige dingen niet volledig zijn eigen schuld, maar [deze onderwaardering] is zó algemeen geworden onder vele (anderszins pientere) mensen, vooral de studenten van de fysica, dat ik zou wensen dat de hier volgende uiteenzetting op dit moment minder nodig zou zijn dan ik vrees dat zij is.

Maar ik vraag mij af of het sommige lezers, die zouden denken dat een uiteenzetting van deze aard onnodig of nutteloos zou zijn, misschien toch zou kunnen behagen dat zij geschreven is door iemand, wiens werken en hun aanvaarding hem volgens hen zouden verplichten om zich volledig te wijden aan de ontwikkeling van die natuurfilosofie.

Ik ben niet ongevoelig voor de positieve ontvangst die de filosofische artikelen die ik tot dusverre in omloop heb gebracht van de geïnteresseerden hebben mogen ontvangen: maar ik hoop dat zij niet misnoegd zullen zijn wanneer ik mijzelf niet voorstel als een redenaar of een professor in de fysica, en mijzelf ook niet heb gedwongen, door enige belofte die ik aan het publiek zou hebben gemaakt, om nooit over enig ander onderwerp te schrijven; noch is het redelijk [te denken] dat wat ik gedaan heb of wat ik zou schrijven om de nieuwsgierigheid van andere mannen te bevredigen, mij zou beroven van mijn eigen vrijheid en mij zou beperken tot een enkel onderwerp. En ook al ben ik mij ervan bewust dat, in het bijzonder, de volgende uiteenzetting, die de bestudering van de natuur lijkt te kleineren, op het eerste gezicht enigszins ongepast mag lijken voor iemand die heel doelgericht heeft geschreven om de uitmuntendheid en het nut ervan aan te tonen, toch moet ik bekennen dat ik na een aandachtiger overweging van het onderwerp die mensen niet kan afwijzen, nee, noch de redenen kan weerstaan van hen die een andere mening zijn toegedaan.

En mijn toestand, en het feit dat ik een seculier mens ben (zoals zij zeggen), worden gezien als omstandigheden die een schrijver ten voordeel zijn, dat wil zeggen om over een onderwerp te schrijven als dat wat ik behandeld heb. Ik hoef u niet te vertellen dat, wat betreft godsdienstige boeken in het algemeen, men heeft opgemerkt dat de werken (caeteris paribus) die geschreven zijn door leken, en met name gentlemen, beter ontvangen worden en effectiever blijken te zijn dan die geschreven door geestelijken. En het is daadwerkelijk niet verwonderlijk dat aansporingen tot vroomheid en ontradingen van zonden en van de begeerten en de ijdelheden van de wereld beter zijn wanneer zij worden uitgedrukt door mensen die wel de gelegenheden hebben, maar deze afwijzen, om zelf overvloedig te genieten van de geneugten die zij anderen willen ontraden. En (om iets dichter tot ons huidige doel te geraken) ook al wil ik niet met een grote godgeleerdheid zeggen dat wat er uit het preekgestoelte komt voor velen niets meer is dan een dwaze preek, toch kan het niet ontkend worden dat, als alle andere omstandigheden eender zijn, degene die het niet beroepsmatig doet, de beste is om aan te sporen tot godvruchtigheid; en dat het aan de reputatie van bijna elke studie bijdraagt, en dus ook aan goddelijke dingen, dat zij geprezen en verkozen wordt door diegenen wiens toestand en levensloop hen ontheffen van enige bijzondere roeping. en hen bevrijden van de gebruikelijke verleiding om een voorliefde te hebben voor deze of gene studie, die dan gebruikt wordt ter ophemeling, omdat het hun vak is of in hun eigen belang, of omdat het van hen verwacht wordt; terwijl deze gentlemen daarentegen zich verplicht zien [hun studie] aan te bevelen, enkel en alleen omdat zij haar liefhebben en waarderen.

Maar er is nog iets anders dat het nog gepaster lijkt te maken dat een verhandeling over een dergelijk onderwerp geschreven zou worden door ondergetekende: want beroepsgeestelijken worden verondersteld druk bezig te zijn met studies, die zelfs, omdat ze van een hogere aard zijn, van een andere natuur zouden zijn dan [studies] aangaande stoffelijke dingen. En omdat gezien kan worden dat er welhaast geen enkel soort geleerde is die meer geneigd is om mensen te onderwaarderen die alleen op andere kennisgebieden bedreven zijn, dan velen onder onze moderne naturalisten (die zich bewust zijn van de uitmuntendheid van de wetenschap die zij ontwikkelen), moet zeer gevreesd worden dat wat er gezegd zou worden over de superioriteit van de godgeleerdheid ten opzichte van de fysiologie door predikanten (die de bestudering van dat laatste slechts een voorbereidend onderwerp, of een afdwaling, vinden), zou worden gezien als het oordeel van een geïnteresseerde, maar onbekwame rechter; en hun onderwaardering van de voordelen van de bestudering van de schepping zou (zoals hun onderwaardering van het genieten van de schepping al te vaak is) gezien worden als het gevolg van het feit dat zij zelf niet genoeg gelegenheden hebben gehad om de geneugten ervan te ervaren. Maar dergelijke vooroordelen kunnen een mens niet bedriegen, die van de bestudering van de natuur meer dan een bijzaak heeft gemaakt en die middels een vlijtig en lang onderzoek heeft laten zien hoe zeer hij de verrukking die daaruit voortkomt liefheeft en koestert, en fortuinlijk genoeg is geweest om hierin enkele ontdekkingen te doen en de eer heeft dat deze publiekelijk, en welhaast met te veel complimenten, zijn opgemerkt door de virtuosi. En het zal ook niet te vrijpostig zijn om hieraan toe te voegen dat zij, die de natuurfilosofie tot hun minnares maken, waarschijnlijk minder beledigd zijn dat zij in dit traktaat niet zozeer wordt voorgesteld als een dienstmeid van de godgeleerdheid, maar als een dame van een lagere stand; want de inferioriteit van de bestudering van de natuur wordt bevestigd door de mens die, zelfs terwijl hij het toegeeft, verdergaat als een onverdroten, of zelfs hartstochtelijke aanbidder van de natuur; zodat zijn voorbeeld laat zien dat een mens aan de ene kant niet bekend hoeft te zijn met de lessen die ons in het boek van de schepping worden geleerd, of ongeschikt om ervan te genieten, om ze minder uitmuntend te vinden dan de lessen die uit het boek van de Schriftteksten kunnen worden geleerd; aan de andere kant is de voorkeur voor dit laatste boek zeer consequent met een hoge waardering en een vlijtige bestudering van het eerste.


Verhandeling over de uiteindelijke oorzaken van natuurlijke dingen [7]

De conclusie

    Deze conclusie uit een van de werken van Robert Boyle vat zijn antwoord samen op de vraag: zouden we in de wetenschap "uiteindelijke oorzaken" (de uiteindelijke doelen) moeten beschouwen, of alleen maar "efficiënte oorzaken" (de dingen die bepaalde veranderingen of bewegingen beginnen of beëindigen)? Met andere woorden: moeten we op zoek gaan naar datgene waarvoor dingen uiteindelijk zijn bedoeld, of alleen maar rechtstreekse oorzaak-en-gevolgrelaties beschrijven? Boyles antwoord is dat uiteindelijke oorzaken geldig zijn, maar dat ze zorgvuldig moeten worden toegepast.

Het resultaat van wat er tot dusverre is uiteengezet, na de vier vragen die aan het begin van deze beknopte verhandeling werden gesteld, komt in het kort op het volgende neer:

Dat niet elke overweging van uiteindelijke oorzaken verbannen moet worden uit de natuurfilosofie, maar dat dit juist toelaatbaar is, en in sommige gevallen aanbevelenswaardig, om te observeren en te argumenteren op basis van de gemanifesteerde toepassingen van dingen.

Dat de auteur van de natuur die doelen en toepassingen heeft voorbeschikt.

Dat de zon, de maan en andere hemellichamen op uitmuntende wijze de macht en wijsheid, en bijgevolg de heerlijkheid van God verkondigen; en dat sommige van deze, samen met andere doelen, gemaakt werden om dienstbaar te zijn aan de mens.

Dat het op basis van de vermeende doeleinden van levenloze lichamen, zij het aan de hemel of op aarde, bijzonder onveilig is om argumenten te formuleren om de specifieke aard van die lichamen, of het werkelijke systeem van het heelal, te bewijzen.

Dat het op het gebied van dieren, en de meer perfecte soorten vegetatie, gerechtvaardigd is, niet aanmatigend, om te zeggen dat dit of dat onderdeel voorbeschikt werd voor deze of gene toepassing, gerelateerd aan het welzijn van het dier (of de plant) zelf, of voor de soort waartoe het behoort: maar dat dergelijke argumenten gemakkelijk kunnen misleiden, als diegenen die deze [argumenten] formuleren niet bijzonder voorzichtig zijn en zorgvuldig proberen om vergissingen te vermijden, aangaande de verschillende doeleinden die de natuur kan hebben in het vernuft van een dierenlichaam, en de verschillende manieren waarop zij diezelfde doeleinden met succes kan bereiken.

En dat, echter, een naturalist, die deze naam zou verdienen, niet moet toestaan dat hij door de zoektocht naar of kennis van uiteindelijke oorzaken het vlijtige onderzoek naar de efficiënte [oorzaken] negeert.

Over deze verhandeling schrijft Edward B. Davis:

    Eveneens gerelateerd aan Boyles godvruchtigheid was zijn krachtige pleidooi voor het ontwerpargument. Nergens is dat duidelijker dan in zijn "Verhandeling over de uiteindelijke oorzaken van natuurlijke dingen" (1688). Hij stelde dat zijn doel was "dat mijn lezer niet slechts de wijsheid van God zou moeten observeren, maar dat hij er, in enige mate, emotioneel van overtuigd wordt." De beste manier om "ons zo'n grote verwondering en hoogachting ervoor te geven, was het leren kennen van het bewonderenswaardige vernuft en het overwegen van de specifieke voortbrengsels van die immense wijsheid, en hun voortreffelijke geschiktheid voor die doeleinden en toepassingen, waarvoor zij lijken te zijn bestemd." En zo, geloofde Boyle, "zouden mensen aangezet kunnen worden om God zowel te erkennen als Hem te bewonderen en Hem te danken."

    Edward B. Davis (Professor in de Wetenschapsgeschiedenis, Messiah College) [8]

Vrij onderzoek naar het algemeen aangenomen begrip van de natuur [9]

    In dit stuk argumenteert Robert Boyle tegen de personificatie van de "natuur" als een soort intermediair tussen God en de wereld, zoals bijvoorbeeld in: "moeder natuur gaf ons zwaar weer vandaag". Dat was volgens Boyle "vulgair" (alledaags, ordinair) taalgebruik. In plaats daarvan vond Boyle dat God meer verheerlijkt wordt wanneer men zegt dat Hij de wereld geordend heeft om bepaalde natuurwetten te gehoorzamen die zijn directe ingrijpen zelden of nooit vereisen.
    Deze stelling van Boyle is weliswaar redelijk, maar moet getemperd worden, omdat filosofen deze stelling later extrapoleerden zodat zij ook betrekking had op het denken en de vrije wil van de mens - een toepassing waar Boyle zich ongetwijfeld tegen verzet zou hebben. Hij doelde op het domein van de natuurlijke fenomenen, zoals chemische reacties, geluidsgolven en omwentelingen van de planeten. Als Bijbelgelovige was Boyle geen deïst; enkele van zijn werken verdedigden de Bijbelse wonderen, inclusief de opstanding van Christus en de redding van Daniëls drie vrienden uit de brandende oven.
    Zelfs een dergelijk goed idee, dat hierbeneden in meer detail wordt beschreven, kan verkeerd toegepast of overdreven worden. Hij zou waarschijnlijk ontzet zijn geweest door de hedendaagse theïstische evolutionisten die wonderen zó zeer uitsluiten dat zij Gods vrijheid om te handelen in reactie op de vrije wil van zijn schepselen ontkennen.

Het lijkt af te leiden van de eer van de grote Auteur en Heerser van de wereld, dat mensen de meest bewonderenswaardige dingen die zij erin tegenkomen niet aan Hem toeschrijven, maar aan een zekere natuur, waarvan zij zelf niet eens goed weten wat dat is. Het is waar dat velen belijden dat deze natuur iets is wat Hij heeft ingesteld en die aan Hem is onderworpen, maar ook al wordt dat door velen beleden, wanneer men hen ernaar vraagt of zij dat al dan niet [geloven], blijken velen van hen zelden of nooit hun ogen op te slaan naar enige hogere oorzaak. Iemand die opmerkt hoe zij de dingen aan de natuur toeschrijven, kunnen gemakkelijk zien dat, wat hun woorden soms ook mogen zijn, de handelingen van God in hun gedachten slechts weinig aandacht krijgt, en het verduistert de uitmuntendheid van het goddelijke beheer van alle dingen meer dan slechts een weinig, wanneer iets onbekends moet worden uitgelegd en mensen dan zo vaak hun toevlucht zoeken bij de natuur en geloven dat zij op een buitengewone manier aan het werk moet zijn geweest om dergelijke dingen tot stand te brengen, terwijl het veel meer een uitdrukking is van Gods wijsheid dat Hij de dingen in het begin op een dusdanige manier heeft gevormd, dat er zelden of nooit een buitengewone tussenkomst van zijn macht nodig is. En, terwijl het méér tot eer is van een ingenieur die een ingewikkelde machine op een zodanige manier heeft bedacht, dat er niets anders nodig is om zijn doelen te bereiken dan het bedenken van onderdelen die wij niet kunnen begrijpen, dan dat het nodig zou zijn dat er steeds weer een oordeelkundige dienaar zou worden aangesteld voor de werking van dit of dat onderdeel, of om te voorkomen dat de machine buiten werking zou treden; het benadrukt dus méér de wijsheid van God in het weefsel van het heelal, dat Hij een zó'n uitgestrekte machine kan maken die al die verschillende dingen kan doen, waartoe Hij hem heeft ontworpen, eenvoudig door het bedenken van ruwe materie die beheerd wordt door bepaalde plaatselijke bewegingswetten en in stand wordt gehouden door zijn gewone en algemene beloop, dan wanneer hij zo nu en dan een intelligente beheerder zou hebben aangesteld, zoals de natuur vaak wordt voorgesteld, om de bewegingen van de onderdelen te reguleren, bij te staan en te beheersen.

En geef mij hier toestemming om een mogelijk bezwaar te verhoeden dat sommigen zouden kunnen inbrengen, dat als het besproken idee van de natuur wordt ontkend, een mens ook de voorzienigheid moet ontkennen, waarvan de natuur het voornaamste werktuig is. Want, allereerst, mijn mening belet mij helemaal niet om te erkennen dat God de Auteur van het heelal is en het onophoudelijk behoudt en in stand houdt, wat veel meer is dan de Peripatetische [Aristoteliaanse] hypothese, die de wereld eeuwig maakt, iets wat haar aanhangers zullen toegeven; en die dingen, die deze filosofische school toeschrijft aan handelingen van de natuur die ingrijpt in noodgevallen, schrijf ik toe aan de wijsheid van God in het oorspronkelijke weefsel van het heelal, dat Hij op een zó bewonderenswaardige manier heeft bedacht, dat, als het alleen maar doorgaat met zijn gewone en algemene beloop, er geen behoefte is aan enig buitengewoon ingrijpen, wat Hem als het ware zou reduceren tot een bijrol. Al die noodzakelijkheden, op basis waarvan filosofen en doctoren datgene verzonnen hebben wat zij de natuur noemen, waren voorzien en er werd rekening mee gehouden in het oorspronkelijke weefsel van het heelal, zodat enkel materie, op deze manier geordend, in deze of gene samenloop van omstandigheden alles kan doen wat de filosofen onder dergelijke omstandigheden toeschrijven aan hun welhaast alwetende natuur, zonder ook maar enige kennis te bezitten van wat zij doet, of hoe zij anders zou handelen dan de katholieke [algemene] bewegingswetten.

Ik ben van mening dat het verschil tussen hun mening over Gods handelingen in de wereld en datgene wat ik voorstel min of meer beschreven kan worden door te zeggen dat zij lijken te denken dat de wereld de natuur van een marionet heeft, een vergelijking die weliswaar erg kunstmatig lijkt te zijn, maar toch zodanig is dat bijna elke beweging van de poppenspeler (door soms aan het ene koord te trekken, soms aan een ander) de handelingen van de machine leidt en ook vaak ingrijpt; terwijl wij denken dat zij is als een zeldzaam uurwerk, zoals het uurwerk dat in Straatsburg kan worden aangetroffen, waarvan alle dingen zó bekwaam zijn bedacht, dat wanneer de machine eenmaal in beweging is gezet, alle dingen blijven werken volgens het oorspronkelijke ontwerp van de makers, en dat de bewegingen van de kleine beeldjes [die in dit uurwerk verwerkt zijn], die op bepaalde uren bepaalde dingen doen, in tegenstelling tot de bewegingen van marionetten, geen bijzonder ingrijpen van de maker vereisen of van enige andere intelligente actor die door Hem zou zijn aangesteld, maar dat zij hun respectievelijke functies op bepaalde momenten uitvoeren op basis van het algemene en oorspronkelijke ontwerp van de hele machine. En wanneer ik overweeg hoeveel dingen, die voor ons abnormaliteiten lijken, vaak genoeg plaatsvinden in de wereld, dan denk ik dat het meer in overeenstemming is met het respect dat wij de goddelijke voorzienigheid verschuldigd zijn, om te denken dat, omdat God zowel de meest vrije als de meest wijze Actor is, en in veel gevallen doeleinden zal hebben die ons onbekend zijn, dat Hij ongetwijfeld heeft voorzien, en ook gepast heeft gevonden, dat dergelijke abnormaliteiten zouden plaatsvinden, omdat Hij ze gemaakt heeft (zoals duidelijk is in het geval van zons- en maansverduisteringen), als authentieke gevolgen van de orde die Hij naar zijn eigen welbehagen in de wereld heeft geschapen. Door deze wetten werden de voornaamste actors in het heelal het vermogen gegeven en werden ze voorbestemd om te handelen volgens de respectievelijke naturen die Hij hen had gegeven, en hierdoor werd de loop van de dingen bepaald, ook al zou dat betekenen dat er ogenschijnlijke abnormaliteiten zouden plaatsvinden en dingen die werkelijk weerzinwekkend zijn voor het goed of het welzijn van bepaalde onderdelen van het heelal: dit, zo zeg ik, vind ik een idee dat eerbiediger is ten opzichte van de goddelijke voorzienigheid dan de gedachte, die wij zo vaak hebben, dat God een intelligent en machtig wezen zou hebben aangesteld, "de natuur" genaamd, als zijn mederegent, die voortdurend waakt over het goed van het heelal in het algemeen, en over de lichamen die samen het heelal vormen in het bijzonder.


Aangaande de bruikbaarheid van experimentele natuurfilosofie [10]

DEEL I: Aangaande haar bruikbaarheid met betrekking tot het denken van de mens

    In deze verhandeling probeert Robert Boyle de experimentele wetenschapsfilosofie te "verkopen" (in tegenstelling tot het deductieve leerproces van Aristoteles en andere vermeende gezagsdragers), door de vele voordelen te bespreken die eruit voortkomen.
    In de volgende passages richt hij zich tot christenen en theologen met zes hoofdargumenten die het nut bewijzen van de natuurfilosofie (d.w.z. de wetenschap) wanneer men geloof in en waardering voor de Schepper probeert te bevorderen, in het bijzonder zijn macht, wijsheid en liefde. Als reactie op de kritiek van sommige predikanten dat de wetenschap een mens naar het atheïsme doet leiden, laat hij zien hoe de bestudering van de natuur juist alle waarnemers, zelfs mensen die geen Bijbelse openbaring hebben ontvangen, voorziet van het meest overtuigende bewijs tegen ongeloof.
    Het redelijk nieuwe idee van natuurwetten die in het begin door de Schepper werden ingesteld, blijkt duidelijk uit deze tekst. Boyle geloofde echter niet dat de normale werking van de natuur, volgens natuurwetten, het bestaan van wonderen of de immanente supervisie door God uitsloot, zoals enkele latere deïsten stelden. Hij was een degelijk Bijbels christen; zijn citaten uit de Schrift vloeien op natuurlijke wijze voort uit zijn persoonlijke geloof. Hij argumenteert overtuigend dat natuurwetten zichzelf niet kunnen uitvinden.
    Een ander vermeldenswaardig aspect van deze uiteenzetting is Boyles introductie van de "horlogemakeranalogie", een argument voor het bestaan van een goddelijke Schepper, al lang voordat William Paley dit argument gebruikte in zijn beroemde werk "Natural Theology" (1802). Boyles argumenten zijn vandaag de dag nog net zo bruikbaar als toen, wanneer we de atheïstische wetenschapsfilosofieën het hoofd willen bieden.

    Noot: Boyle gebruikt het woord "naturalist" in de positieve betekenis van "een student van de natuurwetenschap". Tegenwoordig kan dit woord ook slaan op een materialistische filosoof, een positie waarvan Boyle ongetwijfeld een tegenstander zou zijn geweest.

De natuurfilosofie die op de scholen normaliter wordt onderwezen, is weinig meer dan een systeem van de meningen van Aristoteles en enkele andere schrijvers, is naar mijn mening niet erg moeilijk te leren; dit kan immers gedaan worden door slechts enkele van de actuelere schrijvers te lezen. Maar de experimentele filosofie, die voor u in de volgende uiteenzettingen zal worden behandeld, is een studie die, indien correct uitgevoerd, zó moeilijk, zó zwaar en zó afmattend is, dat ik denk dat het nodig is, voordat ik enkele onderwerpen voor uw studies voorstel, dat ik u voorzie van een correcte waardering van de ware en solide fysiologie; en dat ik u ervan overtuig, in mijn pogingen om u enthousiast te maken over dit onderwerp, om uw tijd en moeite niet te verkwisten aan een wetenschap die dat niet verdient of niet lonend is. Staat u mij alstublieft toe, teneinde u deze voldaanheid te schenken, om u erop te wijzen dat het een gezegde was van Pythagoras, die het waardig was om als filosoof gevierd te worden, dat er twee dingen zijn die een mens het meest eren en hem op de goden doen lijken: om de waarheid te kennen en om goed te doen. Want dat goddelijke deel van de mens, de ziel, het enige wat in staat is om de glorieuze gelijkenis van zijn Auteur te dragen, is begiftigd met de twee voorname vermogens, het verstand en de wil; de eerste is gezegend en vervolmaakt door kennis, en de meest lieflijke en meest verbeterbare eigenschap van de tweede is goedheid. Een gepaste overpeinzing van deze uitmuntende uitspraak van degene, aan wie de filosofen deze bescheiden naam te danken hebben, zou, volgens mij, ons zeer moeten aanzetten tot het bestuderen van de natuurfilosofie. Want er is geen menselijke wetenschap die het verstand voldoening schenkt of verrijkt met een grotere keuzevrijheid en aanvaardbare waarheden; en nauwelijks enige [andere wetenschap] die een gewillig verstand meer in staat stelt om een goedheid te beoefenen die anderen welgezind is.

Om deze waarheden duidelijker aan het licht te brengen, maar toch die bondigheid niet te overschrijden die mijn roeping en de beperkingen van een verhandeling van mij vereisen, zal ik tevreden zijn om mij te beperken tot slechts enkele voorbeelden uit de talrijke voordelen die zich voor de mens opstapelen wanneer het boek van de natuur wordt bestudeerd, die directer verband houden met de vergroting van het begrip van de mens, en om slechts enkele te noemen van de vele [manieren] waarop het hun grotere vermogens verschaft.

De twee grootste voordelen die een werkelijke bekendheid met de natuur aan ons verstand schenkt, zijn, ten eerste, het onderricht van ons begrip en de bevrediging van onze nieuwsgierigheid; en vervolgens de aanwakkering en de koestering van onze vroomheid.

Het volgende voordeel waarvan we gezegd hadden dat kennis van de natuur aan het verstand van de mens zal schenken, is dat het vroomheid aanwakkert en koestert; dat wanneer ik zeg dat ik niet vergeet dat er verscheidene geestelijken zijn (en sommigen van hen zijn voortreffelijk) die zich, uit een heilige jaloezie (zo menen zij) voor godsdienst, inspannen om mensen af te schrikken om zich te wijden aan een serieuze en grondige bestudering van de natuur, als ware het een studie die onveilig is voor een christen en die zal uitmonden in atheïsme, omdat deze het mogelijk maakt (laat ik hun bezwaar zo veel mogelijk in hun voordeel proberen te beschrijven) dat zij zichzelf een zodanige beschrijving van de wonderen der natuur kunnen voorschotelen, op basis van enkel de kennis van secundaire oorzaken, dat zij de noodzaak van een eerste [onveroorzaakte] oorzaak niet meer zouden geloven. Zeker, als deze zorg goed gefundeerd zou zijn, dan zou ik de dreiging van dat kwaad zelf aanzienlijk vinden en zou ik mij oprecht inspannen om u de bestudering van de natuurfilosofie te ontraden, in plaats van u uit te nodigen om dat te doen. Want ik, die veel liever zie dat mensen geen filosofen zijn dan geen christenen, zou veel tevredener zijn wanneer u de mysteries van de natuur negeert dan wanneer u de Auteur ervan ontkent. Maar ook al weerhoudt de ijver van hun bedoelingen mij ervan om een negatieve mening te hebben over de persoonlijkheden van deze mannen, toch verbiedt de vooringenomenheid die van hun doctrine kan uitgaan (wanneer ontvangen door het grote publiek) jegens zowel de heerlijkheid van God, die uit zijn schepselen blijkt, als de heerschappij van de mens over hen, mij om hun mening onbeantwoord te laten; al bedroeft het mij dat de noodzakelijkheid, om de studie die ik u aanbeveel te verdedigen tegen het vreselijke misdrijf waarvan zij door hen beschuldigd wordt, mij ertoe dwingt om met behulp van een filosofische uiteenzetting te theologiseren, wat ik zo beknopt mogelijk zal doen als de zwaarte en de noodzakelijkheid van dit onderwerp mij zullen toestaan. Ik zal tevreden zijn met slechts de uitleg van mijn eigen gedachten, om u te wijzen op de redenen waarmee ik de beschuldigingen tegen [mijn gedachten] beantwoord.

Welnu, als u mij zou vragen om u te vertellen wat die eigenschappen van God zijn, waarvan ik zo vaak heb gezegd dat ze zichtbaar uitgestald zijn in het weefsel van de wereld, dan kan ik u gemakkelijk het volgende antwoord geven, namelijk dat, ook al komen een groot aantal van Gods eigenschappen tot uiting in zijn schepselen, er ook [eigenschappen] zijn die bijzonder in het oog lopend zijn, namelijk zijn macht, zijn wijsheid en zijn goedheid, waarvoor de wereld, net als de Bijbel, al is het op een andere, en op sommige vlakken donkerder manier, ontworpen zijn om ons erover te onderrichten; en bij welke drie [macht, wijsheid en goedheid] wij iets langer moeten blijven stilstaan.

Eerst, hoe grenzeloos de macht is, of beter, wat voor een almacht op voortreffelijke wijze wordt uitgestald in Gods schepping van alle dingen uit het niets, en zijn vorming van dit immense weefsel van de wereld zonder enige materialen of werktuigen, waarvan de uitgestrektheid zodanig is dat zelfs de dingen die bewezen kunnen worden nauwelijks bevat kunnen worden, en waarvan de werkelijke enormiteit op basis van een wiskundig betoog nog steeds niet met zekerheid kan worden geweten, wat op zich, volgens mij, een wonder is dat minder bewonderd dient te worden dan de macht die God heeft laten zien in een dergelijk immens werk, dat volgens sommige moderne filosofen (wier meningen door sommige mystici worden erkend) desalniettemin niet het enige werk van Gods almacht is.

De volgende eigenschap, die in zijn schepselen gezien kan worden, is zijn wijsheid, die voor een intelligent denker duidelijk in de wereld tot uitdrukking komt, ongeacht of je het ziet als een verzameling of systeem van alle natuurlijke lichamen, of dat je de schepselen beschouwt waaruit de wereld bestaat, beide met hun bijzondere en afzonderlijke aard, en in relatie tot elkaar, en het heelal dat zij vormen. In sommige van deze is de wijsheid van God zó in het oog lopend, en met zulke grote letters geschreven, dat zelfs een vulgaire [gewone] lezer het kan zien; maar in vele andere zijn de kenmerken en sporen ervan zó delicaat en tenger, of zó gewikkeld in of bedekt met stoffelijkheid, dat er een oplettend en intelligent waarnemer voor nodig is. Een dergelijk ontelbaar aantal, en een zo grote verscheidenheid aan vogels, beesten, vissen, reptielen, kruiden, struiken, bomen, stenen, metalen, mineralen, sterren, enzovoorts, en elk van deze overvloedig uitgerust en begiftigd met alle eigenschappen die nodig zijn om de respectievelijke doeleinden van hun schepping te bereiken, zijn het product van een wijsheid die zo onbegrensd is dat zij alleen maar eigen aan God kan zijn. De nadruk leggen op enige van deze in het bijzonder zou (naast het te veel aanzwellen van deze uiteenzetting) de andere tekort doen, want alle verdienen die veelomvattende uitspraak van de psalmist: "Wat heeft U alles toch mooi gemaakt, Heer! Alles zit zo knap en zo wijs in elkaar! De aarde is vol met de prachtige dingen die U heeft gemaakt" (Psalm 104:24). En daarom zal ik tevreden zijn met slechts de algemene observatie, ongeacht hoe hoog sommige naturalisten hun eigen kennis ook mogen waarderen, dat deze [kennis] de werken van God hooguit kan begrijpen en toejuichen, maar nooit evenaren. Want een beginneling, wanneer het zeldzaamste horloge dat de meest begaafde kunstenaar kan maken uit elkaar wordt genomen en in stukken voor hem wordt geplaatst, hoewel hij wel het vakmanschap en de voortreffelijke vindingrijkheid kan herkennen, had zelf nooit zo'n vernuftig en zeldzaam werkstuk kunnen bedenken als het hem nooit was getoond; zo zou ook, bijvoorbeeld, een anatomist, die weliswaar de opbouw, het gebruik en de harmonie van de verschillende lichaamsdelen heeft geleerd met behulp van een groot aantal bedreven ontledingen van mensenlichamen en met de hulp van mechanische principes en wetten (zonder een bedrevenheid in deze kan een mens nauwelijks een bekwaam en filosofisch anatomist worden), en die kan onderscheiden dat deze weergaloze machine op een bewonderenswaardige manier samengesteld is om alle bewegingen en functies uit te voeren waartoe het was ontworpen, zich nooit een machine van dergelijke omvang hebben kunnen voorstellen en nooit iets hebben kunnen ontwerpen wat die grote verscheidenheid aan handelingen kan verrichten die wij dagelijks verricht zien in of door elk menselijk lichaam, als hij zelf nooit een menselijk lichaam had kunnen aanschouwen. En de rondgaande beweging van het bloed en de opbouw van de hart- en vaatkleppen (waarvan de overweging, zoals hij mij zelf heeft verteld, onze beroemde Harvey voor het eerst deden denken aan de bloedsomloop): ook al hebben moderne experimenten ons nu grotendeels hiervan overtuigd (al lijkt de precieze werkwijze nog niet volledig uitgelegd), en wij erkennen dat zij bijzonder doelmatig zijn en wij kunnen bewonderen hoe wijs God was toen hij deze bedacht, toch zijn er veel geleerde anatomisten geweest die in de vele tijdperken voorafgaand aan zowel dr. Harvey als Columbus, Caesalpinus, Padre Paulo en meneer Warner (want elk van deze laatste vier zou volgens sommigen enig begrip van de bloedsomloop hebben gehad) die, ondanks hun ijverige beschouwingen van menselijke lichamen, nooit hadden gedroomd (zo lijkt het) van een dergelijk effectief gebruik van de hartkleppen, noch van die nuttige omloop van het bloed, die onze moderne bloedsomloopdeskundigen voortreffelijk, zo niet noodzakelijk achten.

En dan is er een veelvoud aan problemen, vooral gerelateerd aan het gebruik van de onderdelen van het menselijke lichaam en aan de oorzaken en de behandeling van de bijkomstige ziekten, waarvan degenen waarover wij schrijven ons graag vertellen dat de natuur zus of zo handelt, omdat zij het gepast vond om dat te doen; maar zij proberen niet voor ons te verduidelijken wat zij dan bedoelen met deze natuur en hoe niets meer dan lichamen, en dus niets meer dan stoffelijke lichamen, volgens wetten kunnen handelen en wel voor bepaalde doeleinden, zonder enige kennis van beide. Laat hen daarom, tot ze hun hypothese begrijpelijker hebben gemaakt, ophouden met het toeschrijven van dergelijke handelingen aan irrationele schepselen, omdat rede en keuze, en soms ook vlijt en deugd, klaarblijkelijk [alleen] door mensen worden voortgebracht; of laat hen anders samen met ons erkennen dat dergelijke handelingen van schepselen, die op zich irrationeel zijn, worden uitgevoerd onder het toezicht en de leiding van een wijze en intelligente Auteur van alle dingen. Maar opdat ik niet verkeerd begrepen wordt, is het van mij vereist dat ik u, in twee of drie woorden, bekendmaak met enkele van mijn huidige gedachten over dit onderwerp: ik ben zeer geneigd te geloven dat er enkele handelingen zijn die zó eigen zijn aan de mens, op basis van zijn intellect en zijn wil, dat zij niet op een bevredigende manier verklaard kunnen worden alsof zij handelingen zouden zijn van strikt stoffelijke actoren. Om te onderzoeken of er verder enige handelingen kunnen zijn van andere dieren, die niet op een [strikt] mechanische manier verklaard kunnen worden, daar heb ik hier noch de tijd, noch de gelegenheid voor. Maar wat betreft de (meeste) andere natuurfenomenen mogen we, naar mijn mening, ons zonder dwaasheid voorstellen dat God, van wie in de Schrift het volgende is bevestigd: "Aan God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend" (Handelingen 15:18), al vóór de schepping had besloten om een wereld te maken zoals deze van ons, en de materie die Hij had gemaakt verdeelde (als hij het al niet onsamenhangend had geschapen) in een ontelbare hoeveelheid kleine deeltjes van verschillende afmetingen, deze deeltjes vervolgens samenvoegde tot dergelijke weefsels of bepaalde lichamen, en deze in bepaalde situaties bracht en hen aanzette tot bepaalde bewegingen, zodat de fenomenen, waarvan Hij wilde dat ze in het heelal zouden verschijnen, met behulp van het algemene, behoudende beloop hieruit op ordelijke wijze zouden volgen en aan de dag gelegd zouden worden door de lichamen die noodzakelijkerwijs volgens deze wetten te werk zouden gaan, ook al begrijpen ze deze helemaal niet, alsof elk van deze schepselen ontworpen zou zijn om zichzelf te behouden en uitgerust zouden zijn met de kennis en de ijver om dat ook te doen; en alsof het hele heelal doordrongen zou zijn van een intelligent wezen, dat waakt over het algemene goed ervan en zorgvuldig en wijs zorgt voor het goed van de onderdelen ervan, in zoverre dit overeenstemt met het goed van het geheel en het behoud van de oorspronkelijke en katholieke [algemene] wetten die de onveroorzaakte oorzaak heeft ingesteld; net als in het geval van het uurwerk van Straatsburg waarin de verscheidene onderdelen, waaruit die uitzonderlijke machine is opgebouwd, zó zijn geschakeld en afgestemd en in een zódanige beweging zijn gebracht, dat, hoewel de talrijke raderen en de andere onderdelen op verschillende manieren bewegen, en dat zonder enig besef van kennis of ontwerp, zij toch ieder hun eigen rol spelen voor het uiteindelijke doel waartoe zij elk waren bedacht, zo regelmatig en uniform alsof zij weet hadden van en zorg wilden dragen voor hun eigen taak. En de verschillende bewegingen van de raderen en de andere delen werken samen om de fenomenen aan de dag te leggen die door de maker van de machine zijn ontworpen, zó precies alsof hun leven werd geschonken door een gezamenlijk principe dat hen bewust op deze manier laat samenwerken en dat, voor een onbeschaafde indiaan, gemakkelijker te bevatten zou zijn dan de beschrijving van Conradus Dasypodius [de ontwerper van het uurwerk in Straatsburg] zelf: [in die beschrijving] vertelt hij de wereld dat hij het [uurwerk] had ontworpen, maar dat hij het juiste uur niet zo goed kon bepalen en de tijd niet zo nauwkeurig kon meten als zijn klok. Wanneer ik zo'n uitzonderlijke klok zie, hoe ordelijk elk rad en elk ander onderdeel zijn eigen beweging uitvoert, en met welke ogenschijnlijke unanimiteit zij samenwerken om de tijd aan te geven en de andere plannen van de ontwerper uit te voeren, dan stel ik mij niet voor dat de raderen, enzovoorts van de machine zelf begiftigd zijn met rede, maar ik beweer dat wel van de ambachtsman die het zo kundig in elkaar heeft gezet. Dus wanneer ik de handelingen overdenk van al die verschillende schepselen waaruit de wereld bestaat, dan concludeer ik niet dat de levenloze onderdelen waaruit zij bestaat, of de enorme machine zelf met enige reden of ontwerpvermogen handelen, maar ik bewonder en prijs de meest wijze Auteur, en hoe Hij met zijn bewonderenswaardige vindingrijkheid zo regelmatig bepaalde gevolgen voortbrengt, waarvoor een zo groot aantal successievelijke en samenwerkende oorzaken vereist zijn.

Ten derde overweeg ik, ongeacht of het waar is of niet, wat onze tegenstanders suggereren, namelijk dat er bepaalde dingen in de natuur zijn die filosofen méér verleiden dan de vulgaire [gewone] mens om aan een God te twijfelen of Hem te ontkennen; maar er zijn ongetwijfeld verscheidene dingen in de natuur, die veel bewijs voor een Godheid aan de dag leggen, en die alleen door naturalisten onderscheiden kunnen worden, of op zijn minst beter door hen onderscheiden kunnen worden dan door andere mensen. Want naast de geheimzinnige eigenschappen van bepaalde lichamen, die door niemand ontdekt worden behalve door degenen die bepaald onderzoek doen naar die lichamen, zijn er bepaalde dingen in de natuur, die voor een oppervlakkig waarnemer niet met elkaar in verband lijken te staan; maar voor een schrander naturalist, die in staat is om hun geheime verbanden en verbonden te onderscheiden, zijn deze dingen, die volkomen onafhankelijk van elkaar lijken te zijn, zo aan elkaar gerelateerd en zo harmonieus, zowel onderling als in relatie tot het heelal waarvan zij deel uitmaken, dat zij er voor hem heel anders en veel beter uitzien dan voor een ander mens: net zoals iemand die naar een afbeelding kijkt die bestaat uit losse en vervormde stukken, maar ze samen verenigd ziet doordat hij door een cilindrisch vergrootglas tuurt dat precies juist is geplaatst, het talent van de artiest, die het heeft getekend, beter kan onderscheiden dan iemand die alleen naar de afzonderlijke onderdelen van die afbeelding kijkt, of naar het totaalbeeld, maar zonder die verenigende cilinder.

Ten vierde overweeg ik dat de universele ervaring van alle tijdperken aantoont, dat de overdenking van de wereld er veel sterker toe neigt om van degenen, die zich erop hebben toegelegd, gelovigen te maken dan ontkenners van een Godheid. Want het is bijzonder duidelijk dat de oude filosofen, grotendeels, het bestaan van een God erkennen; en het is net zo duidelijk, uit hun gebrek aan openbaring, uit de vele passages in hun werken, en uit verscheidene andere dingen waar we nu niet dieper op kunnen ingaan, dat de overdenking van de werken van de natuur het belangrijkste was, wat hen aanzette tot een besef dat deze een goddelijke Auteur hadden.

Ten vijfde overweeg ik, dat wanneer de geestelijken, die wij nu van repliek dienen, veronderstellen dat de fysiologie een mens gemakkelijk in een atheïst kan veranderen, zij dat doen (zoals hierboven reeds was opgemerkt) op grond van de gedachte dat de natuurfilosofie hem in staat zal stellen om zowel de regelmatige als de afwijkende fenomenen van de natuur uit te leggen, zonder een beroep te hoeven doen op een eerste oorzaak of God. Maar zelfs al zou deze stelling net zo waar zijn als wij proberen te laten zien dat zij onjuist is, dan zie ik nog niet waarom een student van de fysiologie, ongeacht hoe vergevorderd hij ook zou zijn, niet in rationele zin een volkomen vijand van het atheïsme zou zijn. Want de overdenking van de schepselen is slechts een van de vele manieren waarop een mens ervan overtuigd kan worden dat er een God is; en dus heeft de godsdienst, als zij niet in staat zou zijn om het argument te gebruiken dat is gebaseerd op de werken van de natuur, om het bestaan van een Godheid te bewijzen, nog voldoende andere argumenten om te voorkomen dat enig bedachtzaam en onbevooroordeeld mens een atheïst wordt.

Ten zesde wil ik er hier (bij deze gelegenheid) tenslotte aan toevoegen dat een inzicht in fysiologische principes een mens zeer zeker kan helpen bij het beantwoorden van bezwaren van atheïsten tegen het bestaan van een Godheid en de tegenwerpingen die zij hebben tegen de argumenten die aangedragen zijn om te bewijzen dat er een [God] is. Want ook al is het al lange tijd de gewoonte van zulke mensen om te spreken, alsof zij zelf en gelijkgezinden, niet alleen de beste, maar ook bijna de enige naturalisten zijn; en om anderen te verwarren met de bewering dat, omdat men het zich niet kan voorstellen, er toch geen God kan zijn; [want] alle dingen kunnen toch duidelijk en begrijpelijk gemaakt worden met behulp van de principes van de atomaire filosofie. Ook al is dit [argument], zo zeg ik, al lang gebruikt door de tegenstanders van een Godheid, toch zal iemand die hun zelfvertrouwen negeert en aandachtig de eerste principes van de dingen overweegt, gemakkelijk genoeg kunnen onderscheiden dat van de argumenten, waarvan de atheïsten door de natuurfilosofie voorzien zijn, en die daadwerkelijk het overwegen waard zijn, er veel minder zijn dan men zou kunnen denken; en dat [de gedachte dat] de eeuwigheid, de onveroorzaakte aard en enkele andere eigenschappen van God moeilijk voor te stellen zijn (laten we dit grote bezwaar even toelaten) niet zozeer voortkomt uit enige absurditeit die zou samenhangen met het idee van een Godheid als zodanig, maar veeleer uit de moeite die onze domme menselijke intellecten hebben om zich de aard van die eerste dingen voor te stellen (wat wij dan ook mogen denken dat die zijn), welke, om de oorzaken van alle andere dingen te kunnen zijn, zelf zonder oorzaak moeten zijn: want iemand, die aandachtig zal overwegen [welke ideeën] de atomisten [d.w.z. ongelovige materialisten] zelf geneigd zijn om te aanvaarden aangaande de eeuwigheid van materie, de herkomst van plaatselijke bewegingen (wat duidelijk niet tot de aard van een lichaam behoort), de oneindigheid of grenzeloosheid van de ruimte, de verdeelbaarheid of onverdeelbaarheid van elke stoffelijke substantie in oneindige materiële onderdelen, zal duidelijk kunnen ontwaren dat de atomist, door te ontkennen dat er een God is, zijn verstand niet kan bevrijden van dergelijke raadselachtige moeilijkheden, waarvan hij beweert dat ze de redenen zijn van zijn ontkenning: want in plaats van één God, moet hij belijden dat er een oneindig aantal atomen bestaat, die eeuwig, onveroorzaakt, onsterfelijk en zelf-bewegend zijn, en daarvoor aannames moet doen, die zelf al voldoende problemen met zich meebrengen.


1 "Robert Boyle on Natural Philosophy: An Essay with Selections from His Writings", Marie Boas Hall, Indiana University Press, 1965. [Terug naar de tekst]

2"The Works of Robert Boyle", Red. Michael Hunter en Edward B. Davis, 1999-2000, Vol. II, pp. 5-6, 15, 20-22, 38-40, 49-30, 55, 58, 59. [Terug naar de tekst]

3 "Christian Men of Science", George Mulfinger, Ambassador-Emerald International, 2004. [Terug naar de tekst]

4 "Robert Boyle, the Christian Virtuoso", uit een presentatie gehouden aan het Massachusetts Institute of Technology, 9 januari 1998, in de reeks "The Faith of Great Scientists". [Terug naar de tekst]

5 "Protestant Thought and Natural Science", John Dillengerger, Collins, Londen, 1961, p.117. Zie ook "The Relationship between Science and Scripture in the Thought of Robert Boyle", David L. Woodall, Perspectives on Science and Christian Faith, Vol. 49, Nr. 32, maart 1997, hier online beschikbaar: http://www.asa3.org/ASA/PSCF/1997/PSCF3-97Woodall.html. [Terug naar de tekst]

6 "Exploring the World of Chemistry: From Ancient Metals to High-Speed Computers", John Hudson Tiner, Master Books, 2001, p. 129. [Terug naar de tekst]

7 "The Works of Robert Boyle", Red. Michael Hunter en Edward B. Davis, 1999-2000, Vol. V, p. 444. [Terug naar de tekst]

8 Zie voettekst [4]. [Terug naar de tekst]

9 "The Works of Robert Boyle", Red. Michael Hunter en Edward B. Davis, 1999-2000, Vol. V, pp. 162-164. [Terug naar de tekst]

10 Zie voettekst [2]. [Terug naar de tekst]