3.5. Effectievere experimenten

Het mag duidelijk zijn dat het zojuist beschreven experiment met de tien munten veel te lang zou duren als het correct wordt uitgevoerd. Als iemand dag en nacht elke vijf seconden een munt zou kunnen trekken en het resultaat vastleggen, dan zou het meer dan 1500 jaar duren om de tijdsperiode te overbruggen waarin één enkele succesvolle poging zou kunnen worden verwacht! En in al die tijd is het doel om het toeval (gemiddeld gezien) slechts één keer tot tien te laten tellen.

We begrijpen nu wellicht de kern van het idee: het toeval kan ons weinig uitkomst bieden wanneer we op zoek zijn naar een geordend resultaat. Overweeg het verschil dat intelligentie uitmaakt –zelfs een beperkte intelligentie. Geef de munten aan een acht-jarig kind, en vraag het kind om ze te rangschikken en ze dan in de juiste volgorde op te rapen en terug te geven. Toeval is blind en heeft geen intelligentie. Het kind heeft deze beperking niet. Het kind kan dit in korte tijd voor elkaar krijgen. Maar het toeval heeft 1500 jaar nodig om maar één keer tot tien te tellen.

Hetzelfde principe kan geleerd worden met kortere experimenten door minder munten te gebruiken. Als je dit probeert met drie of vier of vijf munten en dit lang genoeg doet om alle fluctuaties door korte steekproeven uit te middelen, dan zul je zien dat dezelfde wetten nog steeds gelden. Met vijf munten is de kans om eerst nummer 1 en dan nummer 2 te verkrijgen in de eerste trekking natuurlijk gelijk aan 1 op 5 x 5 = 1 op 25.

Wanneer een munt wordt opgeworpen, dan is de kans op vier maal kop op rij gelijk aan 1/2 x 1/2 x 1/2 x 1/2 = 1/16. Wat zou de kans zijn om tien keer kop op rij te werpen?

Volgende pagina