2.9. Galileo Galilei
(1564 - 1642)

Galileo Galilei Een 68-jarige wetenschapper, in slechte gezondheid, wordt naar Rome afgevoerd om door de inquisitie berecht te worden. Onder dreiging van folteringen en opsluiting wordt hij gedwongen om zijn wetenschappelijke werken af te zweren, omdat zij ketters en tegen de dogma's van de kerk werden bevonden. Hij wordt onder huisarrest geplaatst en huilt onbedwingbaar: "Het onrecht van de uitspraak kwelde hem zo zeer, dat hij meerdere nachten niet kon slapen, maar zijn uitroepen konden gehoord worden, stamelend en onsamenhangend bazelend" (Sobel, p. 298). Niet te ontkennen feiten uit de geschiedenis. Toch? En sluitend bewijs voor de godsdienstige intolerantie jegens de wetenschap. Nietwaar?

Elke beschrijving van de geschiedenis van de wetenschap moet de Galileo-affaire behandelen. In veel kringen wordt deze zaak gezien als het toonbeeld van de strijd tussen wetenschap en godsdienst. Gelukkig hebben de geleerden in recente tijden nog eens opnieuw gekeken naar de gebeurtenissen rondom Galileo's berechting en zijn zij zich bewust geworden van de complexe omstandigheden rond het voorval, omstandigheden die de conventionele interpretatie drastisch hebben gewijzigd. In een recente documentaire bij de publieke omroep werd toegegeven dat de gebruikelijke invalshoek er behoorlijk naast zat. Astronoom en historicus Owen Gingerich, die al veel historische onnauwkeurigheden aan het licht heeft gebracht, heeft de kwestie onderzocht en trekt het hele "godsdienst tegenover wetenschap" verhaal in twijfel. En de historische biografie "Galileo’s Daughter" uit 1999 (een bekroond, innemend en origineel boek dat wij van harte aanbevelen) werpt een verfrissend nieuw licht op het leven, de tijd en het erfgoed van deze reus van de vroege wetenschap, Galileo Galilei.

Ons doel hier is niet om de Katholieke Kerk vrij te spreken, want zij is ongetwijfeld schuldig aan het onrecht dat Galileo werd aangedaan (waarvoor de paus in 1992 een formele verontschuldiging aanbood). En als niet-katholieken veroordelen wij alle wandaden van de inquisitie, niet alleen deze ene. Maar wanneer we enkele factoren bekijken die betrokken waren bij dit ketterij-verhoor, zullen we zien dat de conventionele uitleg van de gebeurtenissen het vaak bij het verkeerde eind heeft:

  • Galileo was een persoonlijke vriend van beide belangrijke pausen die tijdens zijn leven heersten.
  • Galileo was in het algemeen erg populair en had een goede reputatie onder velen, misschien wel de meesten, in de Katholieke Kerk. Hij had veel vrienden in hoge kringen die helemaal geen moeite hadden met zijn ideeën of met die van Copernicus.
  • Zijn boek dat in de berechting werd veroordeeld, "Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo" ("Dialoog aangaande de twee belangrijkste systemen van de wereld"), had het officiële imprimatur van de kerk ontvangen en was goedgekeurd door de officiële Roomse censor, de priester Niccolo Riccardi. Galileo maakte gewillig alle voorgestelde wijzigingen, die niets afdeden aan de kern van zijn werk.
  • Paus Urbanus VIII was al zijn hele leven lang een vriend van Galileo en had het volgende over hem gezegd: "Met een vaderlijke liefde omarmen wij deze grote man, wiens faam straalt in de hemelen en die wijd en zijd verspreid is over de aarde." Hij prees Galileo voor zijn rechtschapenheid en deugdelijkheid. Zowel vóór als na zijn aanstelling als paus had Galileo persoonlijk, cordiaal contact met hem. In zijn vroege jaren, voordat hij paus werd, schreef hij [indertijd kardinaal Barberini] hem het volgende: "Ik bid dat de Heer je zal bewaren, omdat mannen van grote waarde zoals jij het verdienen om een lang leven te leiden voor het goed van het algemene publiek." Paus Urbanus VIII had noch het Copernicanisme, noch Galileo's verdediging ervan veroordeeld; hij spoorde Galileo alleen maar aan om het als een hypothese te behandelen, opdat Gods ondoorgrondelijkheid niet zou worden ingeperkt. Om een ander populair misverstand uit de wereld te helpen: de paus deed in deze zaak nooit een beroep op zijn eigen onfeilbaarheid, wat in die tijd zelfs niet eens een katholieke leerstelling was.
  • Het Copernicanisme was in de tijd van Galileo nog redelijk nieuw. De ondersteunende waarnemingen die wij vandaag de dag hebben, waren er nog niet. De essentiële uitbreidingen van Kepler en Newton ontbraken nog. Veel mensen vonden het Copernicanisme interessant en nuttig, maar anderen bleven bij de traditionele Ptolemaïsche kijk omdat die intuïtief logischer leek en al lang de reputatie had heel bruikbaar te zijn.
  • Paus Urbanus VIII was niet in een goed humeur ten tijde van de berechting. Het pausdom was hem naar het hoofd gestegen en hij had een fortuin uitgegeven aan zelfverheerlijking. Daarnaast werd hij ervan beschuldigd dat hij niet hard genoeg optrad tegen ketters, omdat hij niet krachtiger handelde tegen de hervormers. De Dertigjarige Oorlog had hem veel stress opgeleverd. Galileo’s "Dialoog" kwam op een bijzonder ongelegen moment. De paus vertrouwde op de meningen van anderen, zonder het boek zelf te hebben gelezen. In tegenstelling tot de feiten had men hem doen geloven dat Galileo achter zijn rug om tegen zijn uitdrukkelijke orders was ingegaan. Deze factoren leidden tot een starre houding tegenover zijn voormalige vriend.
  • De berechting besloeg slechts een klein gedeelte van het laatste deel van Galileo's lange en productieve leven, waarin hij vanwege zijn ontdekkingen en zijn boeken alom beroemd was geworden over heel Europa en binnen de Katholieke Kerk. In tegenstelling tot de populaire opinie waren de meeste mensen in de kerk, inclusief paus Urbanus VIII, verrukt van Galileo's ontdekkingen met de telescoop.
  • In 1616 werd onder paus Paulus V een anti-Copernicaans edict uitgevaardigd. Het ging bijna zover dat het Copernicanisme ketters werd genoemd en het boek werd verboden. Galileo stemde ermee in om het een mening of hypothese te noemen, in plaats van een feit. Het edict was naar tegenwoordige maatstaven een dwaze verordening, maar vormde geen grote hindernis voor Galileo's werk en boeken. Dat gebeurde pas zeventien jaar later, toen hij wederom beschuldigd werd.
  • Tijdens en na zijn huisarrest in Rome, en toen hij toestemming kreeg om naar zijn huis in Arcetri terug te keren, ging Galileo relatief ongehinderd door met zijn wetenschappelijke experimenten en zijn publicaties.

Galileo Galilei En dat is nog maar het begin. Wat belangrijker is, zit in de details van de beschreven gebeurtenissen, en dat is dat Galileo zijn hele leven lang een trouwe katholieke christen was en dat zijn geloof in God, de schepping en de Bijbel nooit wankelde. Sterker nog, Galileo vreesde dat de reputatie van de kerk zou worden geschaad als zij het Copernicanisme zou afwijzen; hij spande zich in om de kerk te beschermen tegen dwaze en onjuiste uitleggingen. Noch Copernicus, noch Galileo had ooit de bedoeling dat hun werk als kritiek op de Bijbel of op de kerk zou worden beschouwd. Het betreurde Galileo dat zijn werk als zodanig werd verdraaid en verkeerd werd begrepen. Hij deed veel moeite om uit te leggen dat zijn wetenschap op geen enkele wijze onverenigbaar was met de Schrift. Al heel vroeg legde hij het volgende uit in een lange brief aan de groothertogin van Toscane: "Ik denk allereerst dat het heel vroom is om te zeggen en verstandig om te bevestigen dat de Heilige Bijbel nooit onwaarheid kan spreken - wanneer zijn werkelijke betekenis begrepen wordt." Veel later, na zijn berechting, schreef hij aan een vriend: "Ik heb twee bronnen van voortdurende vertroosting. Ten eerste dat er in mijn werken geen spoortje oneerbiedigheid jegens de Heilige Kerk kan worden gevonden, en ten tweede het getuigenis van mijn eigen geweten, dat alleen ikzelf en God in de hemel grondig kennen. En hij weet dat in deze zaak, waarvoor ik te lijden heb, niemand - zelfs de Vaders uit de oudheid niet - met meer vroomheid of grotere geestdrift voor de kerk heeft gesproken dan ikzelf, ook al hebben velen met grotere geleerdheid gesproken."

Welnu, hoe kunnen we dan die nare beschuldigingen van de berechting verklaren? Met één woord: wraakzucht. Galileo had het talent om trouwe vrienden en bittere vijanden te maken. Zijn vlijmscherpe logica en sarcastische neigingen schonken hem zowel bewonderaars als tegenstanders. Sommigen hadden het gevoel dat hij het Copernicanisme door de strot van het christendom wilde duwen. In zijn "Dialoog" riep hij personages in het leven die debatteerden over het Copernicanisme. Hij schilderde de voorstanders af als wijze geleerden en de tegenstanders als onnozele sullen (hij noemde een van de personages zelfs "Simplicio"). Enkele van Galileo's vijanden vonden dat hij hen bespotte en dat ontstak het verlangen in hen om hem terug te pakken. Helaas gebruikten enkele van deze oneerbare mensen de Kerk als dekmantel voor hun zonde en gebruikten zij hun positie om het debat af te schilderen als "Galileo tegenover de Bijbel", of "Copernicanisme tegenover de kerk", wat leidde tot de opgeklopte aanklacht met het gevreesde K-woord: ketterij. Galileo werd te grazen genomen. Hij was verzeild geraakt in een draaikolk van botsende stromingen: politiek, persoonlijkheden, ambities, nieuwe ontdekkingen, fysieke en theologische oorlogen, verdenkingen, bijgeloof en misvattingen. Helaas bevond Galileo zich in het centrum van deze maalstroom en werd hij het slachtoffer van omstandigheden die gedeeltelijk zijn eigen schuld waren, maar ook grotendeels buiten zijn macht lagen: een kerk in conflict met de hervormers, die zojuist het Concilie van Trente had gehouden, probeerde haar gezag te handhaven en keek met argusogen naar mensen die, net als Luther, dachten dat zij het recht hadden om de Schrift op eigen houtje uit te leggen. Galileo wist dat zijn tegenstanders, uit onzekerheid, "voor hun dwalingen een schild [fabriceerden] uit de dekmantel van voorgewende godsdienst en het gezag van de Bijbel" (Sobel, p. 68). Op geen enkele wijze werd Galileo door de kerk unaniem veroordeeld. Zelfs tijdens de berechting zag hij zich door talrijke katholieken gesteund, die net als de aartsbisschop van Siena een afkeer hadden van "degenen die de wetenschap in hun greep hebben, en zij hebben geen andere optie meer dan terugrennen naar heilige grond" (Sobel, p. 286).

Je zou kunnen beargumenteren dat het debat niet ging om "wetenschap tegenover godsdienst" en zelfs helemaal niets met de Bijbel te maken had, maar draaide om experimentele wetenschap tegenover Griekse filosofie. Galileo's tegenstanders waren vooral academici en professoren, en niet kerkleiders. De zaak werd gecompliceerd door het feit dat de Katholieke Kerk de Bijbelse leer had verwaterd met heidense Griekse ideeën over de natuur. Dava Sobel legt uit dat Thomas van Aquino "de schrijfsels van Aristoteles uit de vierde eeuw voor Christus had geënt op de christelijke leer uit de dertiende eeuw. De overtuigende werken van Sint Thomas van Aquino hadden al honderden jaren weergalmd in de kerk en in de in Europa opkomende universiteiten; zo kregen de woorden van Aristoteles het gezag van de Heilige Schrift, al lang voordat Galileo begon aan zijn boek over de architectuur van de hemelen" (Sobel, p. 152). Aristoteles, en niet de Bijbel, was degene die onderwees dat de hemelse sferen onveranderlijk en perfect waren, in tegenstelling tot de verdorvenheid van de aarde. De ontdekking van zonnevlekken en imperfecties op de maan was een schending van de Aristoteliaanse leer, maar deed aan geen enkel woord van de Schrift afbreuk. Galileo's "ketterij" was gericht tegen Aristoteles, niet tegen de Bijbel! Hij schreef: "Om nu de volledige wetenschap te verbieden zou niets anders zijn dan het censureren van honderden passages in de Heilige Schrift die ons leren dat de heerlijkheid en de grootheid van de Almachtige God op wonderlijke wijze gezien kunnen worden in al zijn werken en op goddelijke wijze gelezen kunnen worden in het open boek van de hemel." Galileo geloofde dat "de Heilige Schrift en de natuur beide uitvloeisels zijn van het goddelijke woord: de eerste gedicteerd door de Heilige Geest, de tweede de uitvoerder van Gods geboden" (Sobel, p. 64). In zijn gedachten bestond er geen tegenstrijdigheid tussen de twee. Maar hij vertrouwde niet op de feilbaarheid van menselijke uitleggingen: "De Heilige Schrift kan geen fouten maken en de verordeningen die erin staan zijn absoluut waar en onschendbaar. Ik zou hier alleen aan toegevoegd moeten hebben dat, ook al kan de Schrift geen fouten maken, zijn uitleggers en vertalers op vele manieren in staat zijn om fouten te maken."

Om deze lijn door te trekken: ook al was Galileo in dit opzicht zelf relatief onschuldig, toch leek hij een nieuwe interpretatiefilosofie te zijn begonnen die later te ver werd doorgetrokken en zou leiden tot een soort intellectuele schizofrenie: het idee dat de Bijbel zich alleen met geestelijke zaken bezighoudt, terwijl de natuur het exclusieve domein van de wetenschap is. In onze moderne wereld is dit idee tot in het extreme doorgevoerd. Sommige christelijke creationisten geloven in een theorie van een "dubbele openbaring", namelijk dat de natuur een net zo gezagdragende openbaring van God is als de Schrift. Maar dit is een halve waarheid. De Schrift onderwijst ons ongetwijfeld dat de werken van God zijn heerlijkheid openbaren, maar voorstanders van deze kijk veronachtzamen de feilbaarheid van de menselijke interpretatie van die natuurlijke openbaring. Zij neigen ernaar om de woorden van seculiere wetenschappers te aanvaarden als hoogste gezag en proberen dan de Bijbel hiermee in overeenstemming te brengen. Aan de andere kant zijn seculieren en atheïsten vaak heel neerbuigend bereid om godsdienstige mensen op geestelijk vlak alles te geven wat zij willen, zolang als de wetenschappers hun hegemonie over de bestudering van de natuur maar kunnen behouden. Stephen Jay Gould stelde bijvoorbeeld een vredesverdrag voor dat hij "NOMA" noemde: "niet-overlappende magisteria" [domeinen], met een woordspeling op het katholieke woord "magisterium". Zijn idee was dat de kerk het laatste woord zou hebben wat betreft kunst, muziek en theologie, maar de wetenschap op het gebied van natuurkunde, scheikunde en biologie. In beide standpunten, de dubbele openbaring en NOMA, is het onvermijdelijk dat de natuur uiteindelijk de geest zal opslokken en de Schrift een slaaf wordt van de seculiere wetenschap.

We kunnen in Galileo de zaadjes - maar niet de vruchten - zien van deze valse dichotomie. Hij citeerde Baronio om zijn geloof te verwoorden dat de Bijbel een boek was over hoe je naar de hemel kunt gaan, maar niet over "hoe de hemelen te werk gaan". Hij waarschuwde tegen letterlijke interpretaties van de Schrift waardoor wij ons, bijvoorbeeld, God zouden voorstellen met handen en voeten, of met menselijke en lichamelijke emoties. Hij zei: "Ik geloof dat de bedoeling van de Heilige Schrift is om mensen te overtuigen van de waarheden die noodzakelijk zijn voor verlossing, die noch door wetenschap noch op enige andere wijze geloofwaardig zouden kunnen worden gemaakt dan alleen door de stem van de Heilige Geest. Maar ik denk niet dat het noodzakelijk is om te geloven dat dezelfde God die ons onze zintuigen, onze spraak, ons intellect heeft gegeven, het gebruik hiervan aan de kant zou willen schuiven om ons dingen te leren die wij met behulp van die [gaven] zelf zouden kunnen ontdekken, met name in het geval van die wetenschappen waarover in de Schrift op geen enkele manier gewag wordt gemaakt; en dan vooral de astronomie, waarop [in de Bijbel] zó weinig acht wordt geslagen dat geen enkele van de planeten bij naam wordt genoemd. Als de bedoeling van de heilige schrijvers zou zijn geweest om mensen astronomie bij te brengen, dan zouden zij toch zeker niet zo volledig aan het onderwerp voorbij zijn gegaan" (Sobel, p. 65). Deze uitspraak is tot op zekere hoogte verstandig, maar lijkt tegelijkertijd een verborgen aanname te bevatten, namelijk dat het denken van de onvernieuwde mens in staat is om op eigen kracht waarheden te ontdekken. Dit mag in de praktijk wel waar zijn met betrekking tot herhaalbare, waarneembare fenomenen zoals vallende objecten en de bewegingen van planeten, maar hoe zit het met de oorsprong van het heelal, de oorsprong van het leven en de oorsprong van de ziel? Er is tegenwoordig geen enkel onderwerp onder de zon waarvan de moderne wetenschap gelooft dat zij niet het gezag heeft om het te verklaren aan de hand van natuurlijke oorzaken. Dat behelst zelfs gebeden en seksuele zedelijkheid. De reductionistische wetenschap verklaart zelfs de liefde als een optelsom van reacties tussen neurotransmitters in de stoffelijke hersenen. De moderne wetenschap heeft de geestelijke wereld van de troon gestoten en is hiermee veel verder gegaan dan Galileo's principe. We moeten zijn uitspraken dus bekijken in de wetenschap dat een goed idee tot een dwaalspoor kan leiden. Desalniettemin probeerde Galileo zelf om Bijbelse passages als de lange dag van Jozua uit te leggen als werkelijke gebeurtenissen, en niet als allegorieën. Hij aanvaardde het scheppingsverslag in Genesis als een letterlijke beschrijving van de gebeurtenissen.

Galileo’s wetenschappelijke prestaties zijn zó bekend dat we er hier niet diep op hoeven in te gaan. Hij was de eerste die een telescoop naar de hemelen richtte; hij was de ontdekker van zonnevlekken, maankraters, sterren in het Melkwegstelsel, de fasen van Venus en de vier grote manen van Jupiter (die om hem te eren ook wel de "Galileïsche manen" worden genoemd). Hij was een sterk voorstander van proefnemingen in plaats van autoriteit, de ontdekker van de wetten van vallende objecten (hij falsifieerde bovendien de stelling van Aristoteles dat zwaardere objecten sneller vallen), uitgever en wiskundige. Bovendien wist hij de wetenschap populair te maken. Zijn werk is van monumentaal belang in de geschiedenis van de wetenschap. Einstein overdreef toen hij zei dat Galileo, vanwege zijn nadruk op proefnemingen in plaats van logische deducties, "de vader van de moderne natuurkunde - zelfs van de hele moderne wetenschap" was. Galileo was ongetwijfeld een wetenschappelijke reus, maar hij was slechts één van de reuzen. Zijn protestantse tijdgenoten Johannes Kepler en Francis Bacon omhelsden op dezelfde manier de waarde van de experimentele wetenschap in tegenstelling tot autoriteit. En zij bouwden weer voort op het werk van de reuzen vóór hen, de christelijke filosofen die de natuur beschouwden als het rationele werk van een transcendente God; de natuur die het waard is en geschapen is om onderzocht te worden door mensen die naar Gods gelijkenis zijn geschapen.

Galileo beschouwde zijn geloof als een stuwende kracht achter zijn wetenschappelijke werk. Sobel schrijft hierover: "De 'Dialoog' verwoordde zijn overtuiging dat waarheden over de natuur via de wetenschap kunnen worden blootgelegd. Dergelijke waarheden, zo geloofde hij nog steeds, konden alleen het Woord en de werken van God verheerlijken. Hij was dankbaar dat God hem het vermogen had gegeven om verder te turen dan enig mens vóór hem. In de euforie van zijn ontdekkingen in die nachten waarop hij de telescoop voor het eerst op de hemelen richtte, zei hij: 'Ik geef oneindige dank aan God omdat Hij zo goed is geweest om van mij de eerste waarnemer te maken van de wonderen die alle voorgaande eeuwen in obscuriteit verborgen zijn geweest' " (Sobel, p. 6).

Wij kunnen Dava Sobels uitstekende boek "Galileo’s Daughter" (Penguin Books, 1999) van harte aanbevelen. Het is een verrukkelijk en verlichtend boek. Het bevat een unieke, opnieuw vertaalde, verzameling brieven van Suor Maria Celeste, Galileo’s dochter die haar hele leven als non in armoede leefde. Deze biografie van Galileo is geschreven rond deze lieflijke brieven van zijn toegewijde en diep geestelijke kind. Rond deze intieme en onschuldige brieven beschrijft Sobel op meesterlijke wijze de geest van de tijd, zowel het bijgeloof als de nieuwe prestaties, de adelstand en de bekendheid van talrijke mensen die in contact kwamen met Galileo gedurende zijn lange en productieve 75 jaren, die nog veel langer hadden kunnen doorgaan als zijn lichaam gelijke tred had kunnen houden met zijn onvermoeibare verstand. Middels authentieke citaten en bronmateriaal laat Sobel zien hoe "de zaak Galileo" feitelijk heel verschillend was van de simplistische "wetenschap tegenover godsdienst" voorstelling. Zij geeft het boek bovendien een verrassende en aangrijpende afloop.

Dava Sobel zegt dat "Galileo een goed Katholiek bleef die geloofde in de kracht van gebeden en er altijd naar streefde om zijn verplichtingen als wetenschapper te laten overeenstemmen met de bestemming van zijn ziel. 'Hoe de loop van onze levens er ook mag uitzien', schreef Galileo, 'we zouden ze moeten ontvangen als het hoogste geschenk van de hand van God, die tegelijkertijd de macht heeft om verder helemaal niets voor ons te doen. We zouden tegenspoed niet alleen met dankbaarheid moeten aanvaarden, maar zelfs met een oneindige erkentelijkheid aan de Voorzienigheid, die ons op een dergelijke manier losmaakt van een buitensporige liefde voor wereldse dingen en onze gedachten verheft naar het hemelse en het goddelijke' " (Sobel, p. 12).

In 2002 voltooide het Galileo ruimtetuig zijn twaalfjarige verkenning van Jupiter en zijn Galileïsche manen, het "kleine zonnestelsel" dat het Griekse dogma omverwierp en de hemelen openbaarde op een wonderbaarlijker wijze dan zelfs de wijze, oude, bebaarde wetenschapper zelf zich ooit had kunnen voorstellen.

Volgende pagina


Deze pagina over de geschiedenis van de wiskunde heeft een biografie met afbeeldingen.

Het boek "Galileo’s Daughter", de historische roman van Dava Sobel, kan hier aangeschaft worden op de website van Amazon.nl. Hier kun je enkele onafhankelijke recensies van het boek vinden (Engels).

Een les over de relatie tussen wetenschap en godsdienst op basis van de zaak Galileo kan gevonden worden op Answers in Genesis.

ChristianAnswers.net verklaart de aard van Galileo's botsing met de Katholieke Kerk. Deze website vergelijkt het conflict verder met de huidige toestand van het moderne creationisme.

Bezoek de thuispagina van NASA-JPL’s Galileo ruimtetuig en bekijk de fantastische foto's die ook Galileo zelf adembenemend zou hebben gevonden.