2.1. Hugo van Sint-Victor
(ca. 1096 - 1141)

Hugo van Sint-Victor Ons millennium van scheppingswetenschappers begint bij Hugo, een leraar aan de abdijschool van Sint-Victor, even buiten Parijs. Hij kreeg naamsbekendheid omdat hij in het klooster een verbod instelde op bloemschikken; hij vond dat een verspilling van tijd voor mensen die zich hoorden toe te leggen op hogere overdenkingen. Maar we kunnen aannemen dat hij de bloemen zelf wel zal hebben gewaardeerd als uitdrukking van de wijsheid van de Schepper.

Hugo van Sint-Victor laat zien dat het Europa van de middeleeuwen niet aangeduid zou moeten worden met dat kleinerende anachronisme "de donkere middeleeuwen". Hugo was een opmerkelijk helder denker en een geleerd mens. Hij had geen tijd voor bijgeloof of magie. In plaats daarvan was hij een voorstander van kennisverwerving en onderzoek naar de natuurlijke wereld. Hij had een opmerkelijk wetenschappelijk inzicht voor iemand die zes eeuwen vóór de opkomst van de moderne wetenschap leefde, en hij bouwde zijn filosofie stevig op het fundament van de Bijbel, in het bijzonder het boek Genesis.

Aangezien we maar liefst duizend jaar in het verleden duiken, zijn we niet op zoek naar een volledig gevormde wetenschappelijke filosofie, maar naar kenmerkende overtuigingen die een dergelijke filosofie uiteindelijk op gang zouden zetten. Belangrijk in dit opzicht zijn de leer aangaande God, de natuurfilosofie en de rol van de mens. Vandaag de dag proberen wetenschappers gedachten aan God uit de weg te gaan, maar toch zijn zij afhankelijk van de theologie en de filosofie van de vroege natuurfilosofen die de manier veranderden waarop mensen God, de wereld en de mens zagen: in plaats van magie, wetten; in plaats van bijgeloof, creatief onderzoek door intellecten die naar de gelijkenis van God waren geschapen. De scholastische filosofen van de middeleeuwen hadden vele tekortkomingen en hadden het over een groot aantal dingen bij het verkeerde eind, maar zij legden het fundament dat de wolkenkrabber van de wetenschap zou kunnen dragen. Zoals we zullen zien, is de hedendaagse moderne wetenschap een atheïstische gevel die voor een theïstische constructie is gehangen. Niet alleen het fundament, maar ook een groot gedeelte van de interne draagstructuur werd grotendeels door creationisten gebouwd, en zij bouwden op het Woord van God.

Als je de inleiding gelezen hebt, dan weet je dat het onze bedoeling is om werkelijk historische personages te beschrijven, inclusief hun scherpe randjes. Wanneer iemand door ons in deze "hall of fame" is opgenomen, betekent dat niet dat wij het eens zijn met alles wat deze persoon geloofde of onderwees. Hugo was duidelijk middeleeuws in een tijd die werd overspoeld door foutieve ideeën over de Schrift en over de natuur. Hij werd ongetwijfeld beïnvloed door de klassieke teksten die hij ter beschikking had. Van alle beschavingen die er tot op dat moment waren geweest, waren de Arabieren en de Grieken het dichtst bij een werkelijk wetenschappelijk begrip van de wereld gekomen. Europa had veel te danken aan hun bijdragen. Maar in beide beschavingen werd de wetenschap nooit een duurzame onderneming en daarom verdween zij in beide gevallen ook weer van het toneel. Ondertussen had de katholieke kerk de Bijbelse kijk op God, de mens en de wereld verwrongen. De zoektocht naar kennis die in de Spreuken van Salomo werd aangemoedigd, was vervangen door een blinde gehoorzaamheid, ascetisme en een afhankelijkheid van menselijke gezagdragers. De instroom van Griekse manuscripten (vooral Aristoteles) via de Arabieren, en hun vooruitgang in de wiskunde en de geneeskunde, leken de middeleeuwse geleerden wakker te schudden. Het systeem van Aristoteles was weliswaar overtuigend en omvangrijk, maar was ook een mengsel van goede logica en onzin. Zijn op de mens gerichte standpunten waren vaak strijdig met de Bijbel. Europese christelijke filosofen moesten de kern van hun eigen overtuigingen nog eens goed onder de loep nemen en de Bijbel dieper bestuderen om antwoorden te vinden. Zij waren onder de indruk van het systeem van Aristoteles, maar als zij het zonder enig scepticisme hadden aanvaard, dan zou het een doodlopende weg zijn geweest - en dat was ook bijna gebeurd: het duurde eeuwen voordat Aristoteles werd onttroond als de standaard expert op alle gebieden. Mensen die de Bijbel kenden en op zijn gezag vertrouwden, waren degenen die de wetenschap behoedden voor dit noodlot [1]. Hugo van Sint-Victor was een voorbeeld van deze mensen die de natuurfilosofie op de Schrift bouwden. Na verloop van tijd zou deze kijk een vruchtbaarder grond blijken te zijn voor de wetenschap dan de klassieke filosofie.

Dan Graves zegt in "Scientists of Faith": "Zijn aanname was eenvoudig: omdat de Bijbel Gods betrouwbare Woord is, hoeven christenen niet bang te zijn voor wetenschappelijk onderzoek. Elke waarheid zal, wanneer die volledig begrepen wordt, alle andere waarheden ondersteunen. Maar om de obscure dingen van de wereld te kunnen bevatten, moeten we beginnen met datgene wat duidelijk is" (Graves, p. 18, nadruk toegevoegd). "De hele natuur is een uitdrukking van God", zei Hugo, en: "De natuur is een boek dat is geschreven door de hand van God." Dergelijke uitspraken zouden later veel vaker gedaan worden, maar zij wijzen op een diep verschil met de levensbeschouwing van de animist of de pantheïst: de natuur is een ding, een object dat iets anders is dan God. De natuur is een materieel systeem dat is geschapen door een transcendente Schepper en kan daarom bestudeerd worden als een manier om wijsheid te vergaren. Zij laten ook een groot verschil zien met de Grieken en de Arabieren, wier theologieën afbreuk deden aan de rol van God als Wetgever en Degene die de wereld in stand houdt. De Griekse goden waren net zo boosaardig als mensen; waarom zouden we hen kunnen vertrouwen? De Allah van de moslims was zó oppermachtig dat hij onberekenbaar was; zijn handelingen waren onvoorspelbaar. De Arabieren hadden hun Koran, maar deze verzameling van bazelende, lukrake orakels van twijfelachtige herkomst (die lang na de dood van Mohammed op papier werden gezet), had zelden een raakvlak met verifieerbare natuurlijke fenomenen of historische gebeurtenissen. De Koran en de Bijbel zijn tegenpolen. De Bijbel werd over een tijdsbestek van vele eeuwen door veertig auteurs geschreven en bevat duizenden namen van mensen, plaatsen en gebeurtenissen die gecontroleerd kunnen worden aan de hand van andere bronnen. Alleen in de Bijbel vinden we een balans tussen wet en genade, een consequente standaard voor rechtschapenheid, een beroep op het denken en de rede, een regelmatige verheerlijking van de schepping als het werk van een almachtige God en een consequente lineaire tijdbalk van schepping tot voleinding. Geen enkel ander heilig boek in de wereld kan zich hiermee meten. Dit was de rots waarop Hugo van Sint-Victor en zijn opvolgers hun wetenschap begonnen te bouwen. Het werkte. De stormen kwamen, de winden bliezen, maar de structuur bleef overeind. En het gaat niet alleen om de structuur zelf, maar ook om het stevige fundament dat haar draagt.

Hugo werd geboren in het hedendaagse Duitsland. Hij was jarenlang een van de hoofden van de abdij van Sint Victor bij Parijs en zijn werken werden door heel Europa verspreid. In theologisch opzicht werd hij beschouwd als een volgeling van Augustinus. Hij leefde in de tijd juist voor de herintroductie van Aristoteles' werken in het Westen, en zijn filosofie wordt daarom door sommige historici Platonisch genoemd. Maar dergelijke benamingen vertellen niet het volledige verhaal. Ook al was hij ongetwijfeld bekend met Plato (de "Timaeus" was het enige Platonische werk dat in die tijd beschikbaar was), toch was Hugo ook een origineel en kritisch denker, zoals zo veel andere middeleeuwse geleerden. Hij geloofde in een letterlijke interpretatie van de Schrift, niet op een slaafse manier, maar waar de context het toeliet. "Bijbels literalisme" wordt tegenwoordig vaak als een minachtende term gebruikt; men neemt aan dat het de antithese is van het wetenschappelijke denken, maar Hugo's hermeneutiek (de manier waarop de Schrift geïnterpreteerd wordt) was feitelijk een stimulans voor de wetenschap. Dan Graves legt dit uit:

    Om zijn letterlijke betekenis volledig te kunnen begrijpen, moet men de wetenschappen bestuderen die licht werpen op dergelijke dingen. Wanneer iemand het ontwerp van de ark van Noach wil reconstrueren, de correcte datum van Pasen wil bepalen, chronologieën wil berekenen of Bijbelse maten en gewichten wil begrijpen, moeten daartoe wetenschappen worden gebruikt. Nieuwsgierigheid is dan een natuurlijke uitdrukking van de rede, en openbaart de gelijkenis van God die de Schepper in de mensheid heeft ingeblazen toen die geschapen werd.

Het onderzoek van de natuurlijke wereld, ontdekkingen en uitvindingen moeten daarom gezien worden als waardige - zelfs essentiële - ambities. Hugo vond werk en technologie eveneens deugdelijk, gebaseerd op de aansporingen van Paulus (zoals in Efeziërs 4:28), in tegenstelling tot de Griekse geleerden, die arbeid beneden hun stand vonden. Hij werkte zelf met spiegels, geometrie en de classificatie van de wetenschappen. Een van zijn bekendste werken is de "Didascalicon" of "handleiding voor leraren". Hierin besprak hij wat onderwezen moet worden en waarom. In deze "opmerkelijk alomvattende vroege encyclopedie" (zoals de "Encyclopedia Britannica" het verwoordt), erkende Hugo de waarde van de Griekse wetenschap, maar was de Bijbel volgens hem superieur. Hij stelde specifiek de logische fouten aan de kaak van Epicurus en andere filosofen die alleen op de rede vertrouwden. In plaats daarvan was Hugo een voorstander van het gebruik van de wiskunde voor logische geldigheid en precisie.

Hugo van Sint-Victor geloofde in een letterlijke zesdaagse interpretatie van het scheppingsverslag in het boek Genesis. Hij zag het als een archetype van de goddelijke wijsheid die de mens kan nastreven. Jerome Taylor legt uit dat Hugo specifiek inging tegen enkele van zijn tijdgenoten (zoals Willem van Conches) die probeerden om een compromis te sluiten tussen Genesis en de Griekse filosofie, omdat hij vond dat "de klassieke [geleerden] slechts op een inferieure waarheid bouwden, terwijl de vervolmaking van de waarheid was voorbehouden aan christenen, de zonen van het Leven". In plaats van Genesis te allegoriseren, zoals zo veel anderen deden, stond Hugo erop dat "de chaos [Genesis 1:2] letterlijk bestond en dat de ordening daarvan in een net zo letterlijke zesdaagse periode een mysterie is, een 'sacrament', waarmee de Schepper besloot om het rationele schepsel te onderwijzen dat het moet opkomen uit de chaos van zijn oorspronkelijke en ongeletterde bestaan tot een intellectuele en morele schoonheid die door de goddelijke Wijsheid wordt geschonken." Deze allegorische betekenis komt weliswaar voort uit de tekst, maar is geen vervanging van de letterlijke betekenis en de historische werkelijkheid van het Genesisverslag.

Een andere originele bijdrage van Hugo van Sint-Victor die de ontwikkeling van de wetenschap bevorderde, was het idee dat kennisverwerving een verlossende waarde had. In de "Didascalicon" noemde hij drie gevolgen van de zondeval: de relatie van de mens met God, zijn begrip van de wereld en zijn lichaam waren erdoor beschadigd. Hugo onderwees dat kennisverwerving enkele gevolgen van de zondeval op al deze gebieden zou kunnen verzachten. Wat betreft de relatie met God kan een mens, nadat hij vrijgekocht is door de verzoenende offergave van Christus, dichter tot God groeien door theologie te studeren. Wat betreft het verlies aan kennis over de natuur, de kennis zoals Adam had gehad, zou de gevallen mens hiervan iets terug kunnen winnen door de natuur en de vrije kunsten te bestuderen. Wat betreft het lichaam zou een mens enige controle kunnen terugkrijgen met behulp van de "mechanische kunsten", zoals geneeskunde. Op dat punt bracht Hugo een lijst voort van mechanische kunsten ter aanvulling op de zeven vrije kunsten. Elk van deze werd door Hugo rechtstreeks afgeleid uit het Genesisverslag over de schepping en de zondeval. (1) Textielvervaardiging is nodig omdat de mens naakt is en hem geen vacht is gegeven zoals andere dieren. (2) Wapentuig is noodzakelijk omdat de mens geen grote tanden of klauwen heeft zoals dieren. (3) Handel helpt landen om zich met elkaar te verzoenen wanneer zij door zelfzuchtige ambities van elkaar vervreemd zijn geraakt; het bedaart oorlogen, bevordert vrede en gebruikt het privébezit van het individu tot voordeel van allen. (4) Landbouw is een verlichting van het feit dat Adam zich na zijn verbanning uit Eden "in het zweet moest werken". (5) De jacht formaliseert de vaardigheden die nodig zijn om voedsel te verkrijgen. (6) Geneeskunde overwint het verlies van de oorspronkelijke perfectie van het lichaam. En tenslotte: (7) Theater, mits deugdelijk, kan de gedachten ontspannen en verfrissen. Merk op dat Hugo's methode ernaar streefde om een onderzoekssysteem te bouwen dat rechtstreeks gebaseerd was op de Schrift, in het bijzonder Genesis. Of zijn lijst volledig of bruikbaar is voor moderne leraren, is niet waar het om gaat; Hugo bevorderde de systematische speurtocht naar bruikbare kennis door de natuur te bestuderen. En nog belangrijker: hij onderwees dat de zoektocht naar natuurlijke kennis voor de christen een prioriteit was. Het was voor menselijke wezens een manier om gedeeltelijk te herstellen van de gevolgen van de zondeval. Zodra hij uit genade is vrijgekocht door geloof in Christus, kan de man van God een pad inslaan dat hem terugleidt naar de wijsheid van God.[2]

In deze ideeën zien we de bevrijding van het christelijke leven van het ascetisme en het autoritarisme - twee verdraaiingen van de Nieuwtestamentische leer waardoor de kerk na Constantinus geplaagd werd. Hugo van Sint-Victor moedigde zijn studenten aan om op zoek te gaan naar de waarheid over de wereld. Hij zei: "De zin van alle menselijke handelingen kan begrepen worden uit een gemeenschappelijk doel: óf om ons te herstellen naar de gelijkenis van het goddelijke evenbeeld óf om te voorzien in de levensbehoeften - hoe gemakkelijker deze te lijden hebben onder tegenwerkingen, hoe meer zij gekoesterd en behouden moeten worden" (p. 54). Vervolgens legde hij uit hoe de wetenschap niet alleen kennis, maar ook remedies voor leed voortbrengt, en dat deze wijze en rechtvaardige, en dus nobele, uitwerkingen zijn van het goddelijke evenbeeld. Hugo prees logica en gedisciplineerd denken. Hij verloochende magie (waaronder waarzeggerij, wichelarij en astrologie) als "de minnares van elke vorm van zonde en kwaad, die liegt over de waarheid..." Dit klinkt toch niet als de donkere middeleeuwen? De "Didascalicon" concentreert zich op de classificatie van dingen en de zoektocht naar kennis, wijsheid en deugdelijkheid. Al is het in vele opzichten verouderd, toch bevat het primaire concepten die als meststof en regen inwerken op de woestijnen van autoriteit en bijgeloof. Het boek leverde een bijdrage aan de cultivatie van de aarde waarin de vruchtbare ranken van de wetenschap zouden kunnen groeien.

Een van zijn bekendste citaten is: "Leer alles; je zult achteraf zien dat niets overbodig is. Een karige kennis is geen behaaglijke zaak" (p. 137). We moeten erkennen dat hij hier sprak over Bijbelstudie; hij beargumenteerde dat men niet over de historische vertellingen heen moest springen: "Sommige dingen moeten geweten worden omwille van henzelf", zo legde hij uit, zoals de ethische principes van het Nieuwe Testament, maar andere passages, zoals de gedetailleerde chronologieën in 1 Kronieken, "lijken ons werk niet waard omwille van henzelf, maar moeten desalniettemin niet zomaar achteloos worden overgeslagen, omdat die eerste categorie zonder deze dingen niet met volledige duidelijkheid begrepen kan worden." Daarop volgde zijn bekende "Leer alles" uitspraak. Het zou niet juist zijn om zijn spreuk uit deze context te tillen, maar we zien hierin wel Hugo's hartstocht naar kennis en helder denken, een hartstocht die zich uitstrekt over alle geleerde ondernemingen. Wat een contrast met de omliggende beschavingen!

Welnu, welke rol speelde Hugo van Sint-Victor dan in de opkomst van de wetenschappelijke gedachte? De "Encyclopedia Britannica" stelt: "Hugo's enigszins innovatieve exegetische stijl [inclusief een letterlijke interpretatie van Genesis] leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de natuurtheologie: hij baseerde zijn argumenten voor Gods bestaan op externe en interne ervaringen en voegde teleologisch bewijs toe dat voortkwam uit ervaringsfeiten... In tegenstelling tot enkele van zijn tijdgenoten hield Hugo de seculiere kennisverwerving overeind door kennis te bevorderen als een introductie op een contemplatief leven."

Laten we Hugo van Sint-Victor ter afsluiting voor zichzelf spreken, met zijn woorden van tien eeuwen geleden:

    Nu zijn er twee dingen die de goddelijke gelijkenis in de mens herstellen, namelijk de overdenking van de waarheid en de praktijk van de deugdelijkheid. Want de mens lijkt op God omdat hij wijs en rechtvaardig is - ook al is de mens op dat gebied ongetwijfeld veranderlijk, terwijl God onveranderlijk wijs en rechtvaardig blijft. Van die handelingen die voorzien in de noodzakelijkheden van dit leven, zijn er drie typen: ten eerste de handelingen die zorg dragen voor het voeden van de natuur; ten tweede de handelingen die zich sterk maken tegen schadelijke dingen die van buitenaf zouden kunnen komen; en ten derde de handelingen die remedies bieden voor schadelijke dingen die ons reeds belagen. Bovendien verrichten we een goddelijke handeling wanneer we het herstel van onze natuur nastreven, maar we verrichten een menselijke handeling wanneer we voorzien in de noodzakelijkheden die vereist worden door ons verzwakte deel. De eerste soort kunnen we - niet ongepast - "begrip" (intelligentia) noemen, omdat het van boven komt, en de tweede kunnen we "kennis" (scientia) noemen, omdat het van beneden komt en - als het ware - een zekere praktische raad vereist.
Volgende pagina


1 Dan Graves blikt zelfs nog verder terug. Hij beschrijft hoe Johannes Filoponus, een christelijke geleerde (uit de late zesde eeuw) in Alexandrië en criticus van Aristoteles, een voorbeeld was van dezelfde principes van de christelijke natuurfilosofie. Het is onwaarschijnlijk dat hij op dit gebied alleen stond. En volgens Graves ("Scientists of Faith", p. 15-17) kende Filoponus in Alexandrië enkele prominente vroege moslims. Het is mogelijk dat hij hun wetenschap beïnvloed heeft met zijn nadruk op de transcendente aard van God (in tegenstelling tot het pantheïsme) en de natuurwet (in tegenstelling tot een voortdurende inmenging van God). Mogelijk hadden de islamitische wetenschappers meer te danken aan de christelijke gedachte dan algemeen wordt aangenomen. [Terug naar de tekst]

2 Jerome Taylor beweert in zijn inleiding tot de "Didascalicon" dat Hugo geloofde in "de geestelijke voltooibaarheid van de mens - een zorgwekkend idee dat zijn hele theologie domineert" (p. 13), maar dit lijkt een verdraaiing van de werkelijkheid te zijn. In boek zes geeft Hugo duidelijk uiting aan de behoefte aan inkeer en genade (p. 139). Het nastreven van wijsheid, kennis en deugdelijkheid is volledig in overeenstemming met de Nieuwtestamentische leer aangaande de mensen die door God verlost zijn. De apostel Paulus spande zich tot het uiterste in om het doel te bereiken: de prijs van Gods hemelse roeping in Christus Jezus (Filippenzen 3:14). Perfectie mag dan wel onhaalbaar zijn, maar dat doet niets af aan het nastreven ervan. Of, zoals ooit op een poster stond: "Reik naar de sterren. En als je dat niet lukt, zul je toch een grote hoogte bereiken." [Terug naar de tekst]