3.7. John Herschel
(1792 - 1871)

John Herschel William Herschel trouwde op 50-jarige leeftijd en had één zoon, John Frederick William Herschel, die zijn vader in een groot aantal opzichten overtrof. Hij deed weliswaar niet zo veel fundamentele ontdekkingen, maar breidde het astronomische werk van zijn beroemde vader enorm uit en verrichtte ook uitmuntende prestaties op andere vakgebieden. Bovendien bleek zijn christelijke geloof dieper en oprechter dan dat van zijn vader. John Herschel werd de meest vooraanstaande wetenschapper in Groot-Brittannië in de eerste helft van de 19e eeuw, en een zeer gerespecteerd wetenschapsfilosoof. Op hogere leeftijd was hij getuige van de opkomst van het Darwinisme. Ook al was hij een tegenstander van de evolutieleer, toch kunnen sommige van zijn wetenschappelijke filosofieën deze leer onbewust gesteund hebben, zoals we later zullen zien.

Jeugd en opleiding

John groeide op in Observatory House, in de schaduw van zijn vader William. Als kind had hij maar weinig vriendjes; hij bracht meer tijd door in het gezelschap van zijn vaders wetenschappelijke vrienden. Tante Caroline hield veel van hem en zorgde voor een balans in zijn intellectuele opvoeding. De twee bleven hun hele leven lang heel nauw verbonden. Het strekt zijn vader tot eer dat hij zijn zoon wist te inspireren om zijn werk voort te zetten in plaats van ertegen in opstand te komen. Klaarblijkelijk was het hem nooit opgelegd; William had graag gezien dat zijn zoon in de bediening van de anglicaanse kerk zou gaan werken, doch John had met het idee gespeeld om rechten te studeren en had nog enkele andere carrièremogelijkheden overwogen. Maar omdat hij opgroeide met de telescopen om hem heen, leerde de jonge John al snel hoe hij spiegels kon slijpen en polijsten en hoe hij gedegen wetenschappelijke waarnemingen kon doen. Het aas van de sterren had wederom een grote vis gevangen: net als zijn vader zou ook John een groot gedeelte van zijn leven besteden aan het turen door telescopen en proberen te begrijpen hoe de kosmos werkt. Hoe romantisch dit ook mag klinken, het was zwaar werk. Op 30-jarige leeftijd sprak hij over de vele offers die hij moest brengen op het gebied van tijd, gezondheid en kracht. Het moet ook niet gemakkelijk zijn geweest om in de voetsporen van zijn beroemde vader te treden.

Johns genialiteit kwam al vroeg tot uiting; op de Universiteit van Cambridge was hij de "Senior Wrangler" (de beste student van de klas) tijdens de zogenaamde Tripos examens, de moeilijkste wiskunde-examens ter wereld. Niet veel later werd hij, op 21-jarige leeftijd, verkozen tot lid van de Royal Society, de jongste ooit die die eer had gekregen. Door dit lidmaatschap legde John Herschel contact met de meest uitmuntende wetenschappers van zijn tijd en sloot hij hechte vriendschappen met een groot aantal van hen, waaronder Charles Babbage, die een levenslange vriend werd. Samen richtten de twee de Analytical Society of London op en ze reisden samen door Europa, waar John nog veel meer andere toonaangevende wetenschappers ontmoette. Hij kreeg een overheidssalaris aangeboden, maar besloot om in plaats daarvan het werk van zijn vader voort te zetten en de catalogisering van astronomische objecten uit te breiden. Dit zou echter een gezichtspunt vanuit het zuidelijke halfrond vereisen. Om die reden zeilde hij in 1834, samen met zijn vrouw Margaret Stewart, naar Kaapstad in Zuid-Afrika.

Astronomische bijdragen

Vijf jaar lang tuurde John Herschel naar de zuidelijke hemelen. Hij catalogiseerde 1200 dubbele sterren en observeerde nebulae, de Magelhaense wolken (satellietstelsels van ons eigen Melkwegstelsel en alleen zichtbaar vanaf het zuidelijke halfrond), de komeet Halley tijdens zijn verschijning in 1837, sterrenclusters, de manen van Saturnus, zonnevlekken en nog veel meer. Tijdens zijn leven catalogiseerde hij een verbazingwekkend aantal van maar liefst 70.000 hemellichamen. Hij rapporteerde al zijn bevindingen heel geordend aan de Royal Society en de Royal Astronomical Society. Een persoonlijke vriend, N.S. Dodge, schreef in een lofrede in 1871: "Zijn motivatie voor dit langdurige verblijf in het buitenland was geld noch genot, gezondheid of faam, maar hij werd gedreven door de toename en verspreiding van kennis onder de mensen."

John was een goed theoreticus in de astronomie en ook een goed waarnemer. Zijn observaties brachten belangrijke wetenschappelijke principes voort. Hij weerlegde een populaire reactie op de Paradox van Olbers (de vraag waarom de nachtelijke hemel vooral duister is, als de ruimte tot in oneindigheid gevuld is met sterren). Sommige mensen hadden gesuggereerd dat het sterrenlicht eenvoudig werd geabsorbeerd door stof of gas; Herschel merkte correct op dat stof het licht zou verwarmen en dan weer zou uitstralen, waardoor de paradox bleef bestaan (een duurzamer antwoord liet op zich wachten tot de 20e eeuw, toen relativiteit en de uitdijing van het heelal astronomen deden erkennen dat het heelal niet oneindig oud is). Daarnaast merkte Herschel op dat de meeste nebulae bestonden uit zwakke sterren.

Hij schreef over de stoffelijke onbeduidendheid van de mens, die een planeet bewoont die niets meer is dan een nietige stip tussen ontelbare sterren. Hij zei dat "wij nu een punt in de wetenschap hebben bereikt waarop het menselijke intellect zich gedwongen ziet zijn zwakheid te erkennen en te beseffen dat geen enkele voorstelling die de wildste fantasie ooit zou kunnen voortbrengen, zich ook maar enigszins zou kunnen meten met de intrinsieke grootsheid van dit onderwerp." Het Copernicaanse principe was in Herschels tijd al vergevorderd.

De meest verreikende conclusie uit zijn waarnemingen was wellicht de universaliteit van de natuurwetten. Uit zijn bestudering van de banen van binaire sterren leidde hij af dat de natuurwetten in het hele heelal hetzelfde werken als in ons eigen zonnestelsel. Deze "memorabele conclusie", zo schreef de hertog van Sussex, gebruikmakend van een citaat uit het boek Hebreeën, kon "vanwege zijn algemene natuur, met recht gezien worden als het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de astronomie, en geeft een van de meest magnifieke voorbeelden van de eenvoud en de universaliteit van die fundamentele wetten waarmee hun grote Auteur heeft bewezen dat Hij gisteren, vandaag en voor eeuwig Dezelfde is, hier en overal."

Geloof

Het dagboek dat John bijhield gedurende zijn tijd in Zuid-Afrika laat zien dat hij en zijn vrouw regelmatig kerkdiensten bijwoonden. In één bepaalde aantekening lijkt het echter alsof hij minachting had voor wetenschappers die probeerden om hun wetenschappelijke begrip uit de bladzijden van de Schrift te halen. John Herschel geloofde dat het Baconiaanse ideaal een puur inductieve wetenschap vereiste die op waarnemingen en ervaringen was gebaseerd, zonder zijn godsdienstige overtuigingen. Desalniettemin was zijn toewijding aan het christendom krachtig. Net zoals dat voor de meeste gelovigen geldt, onderging hij een proces van geestelijke groei, vooral te danken aan het voorbeeld van zijn vrouw. Dan Graves schrijft:

"Net zoals zijn vader was John Herschel op zijn hoogst een naamchristen. Maar na zijn huwelijk vond er een oprechte bekering plaats. Margaret was de dochter van een Schots presbyteriaan. Haar vrome en vredige levenshouding verhieven Johns geloof van een bijna pantheïstisch-deïstisch christendom tot een volkomen en duidelijker erkenning van Christus als Heer en Redder." (Scientists of Faith, p. 115)

Graves zegt dat Herschels bekering in hem een diepere morele gevoeligheid voor zijn medemens had ontstoken. Zo zette hij zich in voor onderwijshervormingen in Zuid-Afrika. Hij zei dat hij geloofde dat de scholen mensen "geschikt zouden moeten maken voor een hogere bestaanstoestand, door hen die dingen te onderwijzen die hen zou verbinden met hun Schepper en Verlosser." Dit laat zien dat Herschel geloofde in Christus de Redder en in de scheppingsleer. Maria Mitchell schreef in 1857 over een bezoek aan de Herschels; zij beschreef hen als vertegenwoordigers van drie generaties van "degelijke protestanten, in tijden en plaatsen waarin het protestantisme als een aanfluiting werd beschouwd." Zij merkte op hoe trouw hun bezoeken aan hun eenvoudige kerkgemeente waren.

John publiceerde op zijn minst 90 artikelen in de Philosophical Transactions of the Royal Society, waarvan een groot aantal heel belangrijk bleek te zijn. Daarnaast was hij zes jaar lang de voorzitter van de Royal Astronomical Society, en was hij het hoofd van de British Association for the Advancement of Science. Herschel had naast de astronomie nog een groot aantal andere interesses, zoal scheikunde, geologie, filosofie, poëzie en wiskunde. Elk van deze vakgebieden had hem beroemd kunnen maken, als hij dat zou hebben gewild. Zijn kennis van de scheikunde was bijvoorbeeld zo geavanceerd, dat hij de fotografische uitvinding van Daguerre een week nadat hij er voor het eerst van had gehoord wist te dupliceren, met slechts "een vaag idee van het proces dat Daguerre gebruikt had" (Graves, p. 115). Hij wist dit proces zelfs te verbeteren door enkele chemische stoffen aan het proces toe te voegen, zodat "zijn foto's enkele van de oudste zijn die we hebben" en hij de eerste was die fotografie toepaste in de astronomie. Op deze manier stond hij aan de bakermat van een vruchtbaar vakgebied dat uiteindelijk zou leiden tot Edwin Hubbles historische fotografische afbeeldingen van nebulae en, in onze tijd, de Hubble ruimtetelescoop en digitale beeldvorming. We kunnen slechts raden hoe verwonderd William en John Herschel zouden zijn geweest als zij onze tegenwoordige foto’s zouden hebben kunnen bekijken van objecten die voor hen niets meer waren dan kleine, zwakke lichtpuntjes die zij slechts met de grootst mogelijke moeite en het grootst mogelijke geduld konden onderscheiden. De aanblik van het oppervlak van Saturnus of van sterren in de zwakste gaswolk moet voor hen ronduit onvoorstelbaar zijn geweest, en dan hebben we het nog niet eens over de detectie van bizarre hemellichamen als quasars, zwarte gaten, zwaartekrachtlenzen, radio-sterrenstelsels, gammaflitsen, pulsars en een groot aantal dingen die vandaag de dag als heel normaal worden beschouwd.

Persoonlijk karakter

John Herschel was een nederige, integere man die van de waarheid hield. N.S. Dodges lange lofdicht van Sir John William Herschel is een welhaast buitensporig eerbetoon aan Herschel, niet alleen vanwege zijn prestaties, maar ook vanwege zijn persoonlijke karakter. Hij beschrijft heel welsprekend Johns onzelfzuchtigheid en waardigheid, zijn bereidwilligheid om enig gekoesterd geloof op te geven als het bewijs dat vereiste, zijn morele gevoeligheid, zijn grondigheid, zijn "gewetensvolle omgang, met een onvermoeibare ijver die zo kenmerkend was voor zijn leven". Hij noemde hem "de Homerus van de wetenschap, omdat hij haar hoogste dichter was". Over Herschels integriteit schrijft Dodge:

"Hij was een welgemanierd mens van de hoogste graad, niet vanwege zijn adellijke afkomst of degelijke opvoeding, niet vanwege zijn academische inspanningen of beschaafd gezelschap, niet vanwege zijn associaties met hooggeplaatste mensen of zijn bekendheid met mannen met goede smaak en gedachten, zelfs niet vanwege zijn liefdevolle natuur of zijn nobele doelen – nee, zelfs al deze bij elkaar opgeteld niet zo veel als vanwege het verheven ideaal waar hij van zijn jongenstijd tot op de oude leeftijd van perfecte mannelijkheid voor stond... de houding en het gedrag van een welgemanierde man hebben hem nooit verlaten. Hij kreeg kritiek op zijn eigen speculaties die even gelijkmoedig waren als de manier waarop hij zelf op de fouten van zijn tegenstanders wees. Zijn wijze van discussiëren was nimmer heftig en hij verhief nooit zijn stem. Hij kon zijn eigen fouten gemakkelijk toegeven, en was nog vlotter bereid om spijt te betuigen voor verkeerde handelingen..."

De levenslange overdenkingen van Sir John Herschel aangaande het oneindige (zowel het getal als het belangrijke concept) leidden zijn denkvermogen tot grote hoogten, wat tot uiting kwam in zijn karakter. De waarheden die hij van de sterren had geleerd werden omgezet in principes die betrekking hadden op handelingen. Verheven gedachten leidden tot nobele daden. Hij zei zelf ooit: "Als zelfs de slechtste van alle mensen naar het Paradijs zou worden gevoerd om slechts een half uur door te brengen in het gezelschap van grote en goede mensen, zou hij ongetwijfeld bekeerd terugkomen."

Wetenschapsfilosofie

Charles Darwin voelde zich sterk aangetrokken tot John Herschels wetenschapsfilosofie. Herschel had een invloedrijk boek geschreven, "A Preliminary Discourse On the Study of Natural Philosophy", waarin hij zich sterk maakte voor een Baconiaans ideaal soort wetenschappelijk onderzoek, dat niet alleen inductief was, maar ook neutraal wat betreft godsdienstige overtuigingen en vrij van vooringenomen standpunten. Hij onderwees dat men moest proberen om elk soort vooronderstelling uit de gedachten te weren en het bewijs gewoon te volgen waar het naartoe leidde. Darwin voelde zich vernederd toen deze voortreffelijke wetenschapper, die hij zo zeer respecteerde, negatief reageerde op zijn boek "De oorsprong der soorten". Herschel noemde Darwins idee van natuurlijke selectie "de wet van hapsnap" (letterlijk: "the law of higgledy-piggledy"), een uitspraak die de vader van de evolutieleer zeer verontrustte.

"Ik heb via via gehoord dat Herschel zegt dat mijn boek 'de wet van hapsnap' is. Wat dat precies betekent weet ik niet, maar het is duidelijk zeer minachtend. Als dit echt waar is, dan is dit een zware klap en een ontmoediging." (Darwin aan Charles Lyell, 1859).

Toch triomfeerde Darwins zogenaamde "wet". Men zou kunnen beargumenteren dat John Herschel zijn vijanden het touw had aangereikt om zijn christelijke geloof mee op te hangen, omdat hij (net als Bacon) de onbijbelse stelling van Thomas van Aquino had overgenomen dat alleen de geest van de mens in zonde was vervallen, maar niet zijn intellect. Op basis van dat idee meende Aquinas dat de natuurlijke openbaring een manier zou kunnen zijn om God (of de hoogste waarheid) te vinden buiten de Schrift en het overtuigende en bekerende werk van de Heilige Geest. Deze onvolledige kijk op de zondeval gaf secularisten een vrijbrief om hun eigen waarheid te zoeken – buiten de goddelijke openbaring – niet alleen aangaande herhaalbare feiten met betrekking tot de werking van de natuur, maar ook haar herkomst en uiteindelijke bestemming.

Onbedoelde gevolgen

De Baconiaanse wetenschap evolueerde geleidelijk tot sciëntisme, logisch positivisme en naturalisme. Secularisten extrapoleerden het methodologische naturalisme, waarin wetenschappers proberen om wetten te ontdekken door middel van experimenteel onderzoek, tot een volslagen filosofisch naturalisme, waarin God geen plaats meer had in de natuur. Deze twee soorten naturalisme werden zo niet meer te onderscheiden. God, geest, geloof en doelgerichtheid werden gedegradeerd tot een "innerlijke ervaring" en uiteindelijk werden zij puur mystiek en persoonlijk, en konden niet meer geverifieerd worden aan de hand van de geschiedenis, wetenschap, logica of enig ander objectief middel. Secularisten verheugden zich er enorm over dat zij de vlag van de "wetenschap" veroverd hadden en godsdienstige overtuigingen als gijzelaars in handen hadden. Elke vermelding van geloof of goddelijke openbaring werd de prullenbak in gegooid of verwezen naar het domein van bijgeloof en fantasie.

Dit is, uiteraard, een volkomen ongerechtvaardigde positie en een extrapolatie die veel verder ging dan wat Bacon en Herschel feitelijk geloofden. Beiden geloofden oprecht in God als de Schepper en in Jezus Christus als zijn mensgeworden, herrezen Zoon. Hun reactie op het gezag van Aristoteles of enige andere leraar had niet gebruikt mogen worden als een rationalisatie voor de afwijzing van het gezag van God en zijn Woord. Niet elk vakgebied is toegankelijk voor de wetenschappelijke methode. Denk bijvoorbeeld aan geschiedenis, filosofie en kunst. Desondanks eigenden de secularisten zich de rol toe van (vermeende) onbevooroordeelde onderzoekers op alle kennisgebieden. Dit groeide uit tot een alternatieve religie, omdat zij zich niet realiseerden dat hun eigen positie net zo metafysisch was als enig ander geloof.

Ook al zien we veranderingen aan de horizon, toch leven we tegenwoordig nog steeds met het erfgoed van die ongerechtvaardigde extrapolatie van Herschels principes. Phillip Johnson schreef dat onze seculiere samenleving haar eigen scheppingsmythe heeft; net als elke andere scheppingsmythe heeft deze een priesterschap (de gevestigde seculiere wetenschappelijke orde) die volledige voogdij heeft over die mythe. De evolutieleer gaat vandaag de dag veel verder dan de dingen die waargenomen of beproefd kunnen worden. Cornelius Hunter beschrijft de huidige situatie: "Men stelt dat het evolutieproces nu wel ongeveer alles kan scheppen. We kunnen zeggen dat de evolutieleer een gesloten metafysisch systeem is. Het voorziet ons niet alleen van haar eigen scheppingsverhaal, maar schenkt ons ook haar eigen bron van moraliteit... Daarnaast is de evolutieleer, omdat zij de goddelijke schepping en haar Schepper heeft afgewezen, haar eigen autoriteit geworden. Dit verhaal is waar voor de mensen die erin geloven, maar het kan niet bewezen worden op basis van een strikt wetenschappelijke redenering, omdat er metafysische premissen voor nodig zijn" ("Darwin’s God", p. 155).

Het methodologische naturalisme is redelijk tot op zekere hoogte, als een voorlopige of eerste positie die wordt ingenomen wanneer waarneembare, herhaalbare fenomenen aan proeven worden onderworpen. Het is vergelijkbaar met William Dembski's "verklarende filter": in het stroomdiagram wordt allereerst geprobeerd om natuurwetten en toeval uit te sluiten als mogelijke verklaring, vóórdat aangenomen wordt dat het waargenomen object of fenomeen ontworpen is. Het probleem van het huidige methodologische naturalisme is echter dat het een regime met een ijzeren vuist is geworden dat deze ontwerpmogelijkheid al bij voorbaat heeft uitgesloten. Dit is een arbitraire regel die een wetenschapper kan beletten om ooit echt de waarheid te vinden, als datgene wat hij onderzoekt in feite ontworpen is. Dit heeft geleid tot een moderne wetenschap die niet meer verder komt dan gezwaai met een toverstokje en sprookjesachtige vertellingen om de herkomst van het heelal, de planeten, het leven en de menselijke eeuwige bestemming te verklaren, terwijl dit fenomenen zijn die niet beproefd of herhaald kunnen worden. Omdat zij het belang van openbaring en de mogelijkheid van een doelgericht ontwerp aan de kant hebben geschoven, worden evolutionisten zelf gegijzeld door een gesloten metafysisch systeem dat intelligent design per decreet heeft buitengesloten, niet op basis van rede, logica of bewijsmateriaal. De hypocrisie van deze positie wordt aangetoond door het feit dat wetenschappers regelmatig een beroep doen op intelligente oorzaken in bepaalde vakgebieden, zoals de forensische wetenschap, archeologie en SETI. Maar wanneer natuurlijke fenomenen duidelijk ontworpen zijn, wordt deze conclusie geweerd door de regels van het naturalisme.

Ongeveinsd geloof

Hoe zou John Herschel gereageerd hebben op de tegenwoordige heerschappij van het naturalisme? Hij zou ongetwijfeld ontzet zijn geweest. Hij zag zijn wetenschappelijke werk nooit als een rechtvaardiging van het atheïsme. Integendeel. Hij schreef, met vele jaren ervaring als een van de meest uitmuntende beoefenaars van de wetenschappelijke methode: "Alle menselijke ontdekkingen lijken slechts te worden gedaan met als doel de steeds krachtiger bevestiging van de waarheden die van boven komen en in de heilige geschriften gevonden kunnen worden."

N.S. Dodge sloot zijn eulogie (van maar liefst 16 pagina's) van Sir John af met de volgende woorden:

    "Herschels volledige leven, net als de levens van Newton en Faraday, weerlegt de bewering, en verwijdert het vermoeden, dat een diepe bestudering van de natuur niet bevorderlijk is voor een oprechte aanvaarding van het christelijke geloof. Omringd door een liefdevol gezin - voor wie hij lange tijd de trots, de gids en het leven mocht zijn – stierf John Herschel zoals hij had geleefd: met een oprecht en eenvoudig geloof."

Herschel werd begraven in de Westminster Abbey, niet ver van Sir Isaac Newton. Door een ironische speling van het lot zou hij daar niet veel later gezelschap krijgen van een bewonderaar die enkele van zijn ideeën tegen het christendom gebruikte: Charles Darwin.

Volgende pagina


N.S. Dodge, Memoir of Sir John Frederick William Herschel, 1871, Smithsonian Institution; Inventory No: 207208.

De High Altitude Observatory website bevat een korte biografie van John Herschel.