Michael Faraday
(1791 - 1867)

Michael FaradayAldous Huxley werd ooit de volgende vraag gesteld: als u zelf het leven van een historisch figuur nog eens zou kunnen naleven, wie zou u dan kiezen? Zijn antwoord was: Michel Faraday. Iedereen houdt van Faraday. Het is moeilijk om ook maar een enkele negatieve opmerking over hem te vinden. Zijn verhaal was als dat van Assepoester, de belichaming van een roman van Horatio Alger, met volop menselijkheid en een goede afloop. Maar het is meer dan zomaar een goed verhaal; het was een leven dat de wereld zou veranderen. Faraday was een “niemand" die op God vertrouwde, vastbesloten aan het werk ging en – tot zijn eigen verbazing – veel succesvoller werd dan hij ooit had kunnen dromen. Hij werd een van 's werelds grootste natuurkundigen. Tot op de dag van vandaag wordt hij als zodanig bewonderd, ondanks alle supertechnologieën die moderne scheikundigen en natuurkundigen tot hun beschikking hebben. De voorzitter van het Institution for Electrical Engineers (IEE) zei bijvoorbeeld, bij de onthulling van een beeld van Michael Faraday in 1989: “Zijn ontdekkingen waren van onschatbare waarde voor de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Hij was een waar pionier van het wetenschappelijk onderzoek."

Faraday boeide toehoorders met zijn openbare demonstraties. Hij ontdekte enkele van de belangrijkste natuurkundige en scheikundige wetten; ontdekkingen die de wereldeconomie radicaal zouden veranderen. Maar geen enkele van zijn ontdekkingen was zo belangrijk voor hem als dit ene: zijn christelijke geloof. Hij besteedde liever tijd aan gebeden en Bijbelstudies met zijn kerkgenoten dan aan een prijsuitreiking of een bezoek aan het koningshuis. Faraday was standvastig en nederig. Van kinds af aan bleef hij zijn hele leven lang volkomen trouw aan de Bijbelse waarheid. Als de term “christelijke fundamentalist" al zou hebben bestaan in zijn tijd, zou die ongetwijfeld op hem van toepassing zijn geweest. Niets, zelfs niet de opmars van het scepticisme in Groot-Brittannië die leidde tot de Darwinistische revolutie, kon zijn vertrouwen in het Woord van God doen wankelen. En Faraday zou zelf nooit gehoond worden door sceptici; hij genoot daarvoor te veel aanzien. Zijn tijdgenoten zouden het ongetwijfeld eens zijn geweest met de prijzende woorden van Lord Rutherford in 1931, 64 jaar na zijn dood: “Hoe meer we het werk van Faraday bestuderen, vanuit het juiste tijdsperspectief, hoe meer we onder de indruk komen van zijn ongeëvenaarde genialiteit als experimenteel onderzoeker en natuurfilosoof. Wanneer we de omvang en het bereik van zijn ontdekkingen en hun invloed op de voortgang van wetenschap en industrie beschouwen, kunnen we niet genoeg eer brengen aan de nagedachtenis van Michael Faraday – een van de grootste wetenschappelijke onderzoekers aller tijden."

Begin de dingen maar eens op te noemen die gebruik maken van een elektromotor – auto's, ventilatoren, vliegtuigen, uurwerken, pompen, stofzuigers en ga zo maar door – en dan begin je een idee te krijgen van wat Faradays werk heeft voortgebracht. Voeg aan deze lijst ook nog eens generators toe, en transformators, elektrolysetoestellen, elektromagneten en een groot aantal andere producten die uit zijn laboratorium afkomstig zijn, dan wordt ook het belang van Faraday voor de geschiedenis van wetenschap en technologie meteen duidelijk. Men zegt wel dat de welvaart die is voortgekomen uit de uitvindingen die gebaseerd zijn op Faradays ontdekkingen, meer waarde heeft dan de volledige Britse aandelenbeurs. Dit is waarschijnlijk een understatement. Toch bleef Faraday een bescheiden, niet aanmatigende ziel, die nooit probeerde financieel voordeel te halen uit zijn werk. Op zijn oude dag aanvaardde hij een woonruimte die hem door de overheid werd aangeboden, maar hij wilde verder niet geëerd worden. Toen de koningin hem wilde ridderen, bedankte hij voor de eer. Hij wilde tot zijn laatste dag gewoon meneer Faraday blijven. De heerlijkheid van Jezus Christus was de enige beloning die hij nastreefde.

Deze reeks over christelijke wetenschappers (helaas kunnen we dankzij Mary Baker Eddy niet meer de term “christenwetenschappers" gebruiken) heeft een rode draad: omstandigheden zijn niet de enige bepalende factor voor succes. Sommige van deze wetenschappers kwamen uit families die er financieel goed voor stonden (Boyle, Joule), maar andere (Newton, Kepler, Carver) leek alles tegen te zitten. Onderwijzers hebben alle redenen om hun kinderen, zelfs uit straatarme gezinnen of slechte buurten, goed in het oog te houden: een van hen zou wel eens de volgende Michael Faraday kunnen zijn. “Want een mens kijkt hoe de buitenkant is," zei Samuel tegen Isaï, de vader van de rossige herdersknaap die later koning David zou worden, “maar God kijk hoe hij innerlijk is." Het kostbaarste geschenk dat een arme moeder en vader hun kinderen kunnen geven is het voorbeeld van geloof, ijver en godvruchtigheid. De familie Faraday had slechts weinig wereldse goederen, maar zij hadden de ontastbare schatten van Gods Woord. De centrale rol die aanbidding speelde in hun levens gaf hen een stevig vertrouwen in de almacht en de genade van God. Michaels geloof gaf hem een gevoel van doelgerichtheid, motivatie en de kracht om de problemen in het leven het hoofd te bieden. Hij ontwikkelde een karakter dat wereldse verlangens kon bedwingen en eerbaar werk wist te bevorderen. Daarnaast was zijn geloof goed voor de wetenschap: het schonk hem een nieuwsgierigheid naar de werking van Gods natuur en een diep geloof in de eenheid van die natuur. Zoals we zullen zien, leidde zijn geloof hem regelrecht naar zijn meest fundamentele ontdekkingen.

In dit opzicht was de jonge Michael Faraday een rijk kind, ook al waren de kleren aan zijn lijf armzalig, zaten er gaten in zijn schoenen en wist hij maar al te goed wat honger was. Zijn vader, een smid, raakte invalide en was daardoor regelmatig langdurig werkloos. Meer dan eens gaf Michaels moeder hem een brood met de woorden dat hij het daarmee een hele week moest doen. De jongen moest al op jonge leeftijd leren hard te werken en verantwoordelijkheid te dragen. Wanneer deze uitdagingen correct begrepen en toegepast worden, kunnen ze echter het karakter opbouwen. Jeremia zei: “Het is goed voor een mens, als hij het in zijn jeugd moeilijk heeft" (Klaagliederen 3:27). Faraday was hiervan levend bewijs. Zijn moeilijke tijden veranderden hem niet in een dief of vagebond, maar gaven hem waardering voor de weinige goede dingen die hij had, een verlangen om succesvol te zijn en een diepe honger naar kennis. Die honger begon bevredigd te raken toen hij op 13-jarige leeftijd als leerjongen aan het werk ging bij een boekbinder.

Vóór deze baan had hij slechts wat rudimentair onderwijs genoten op de zondagsschool: lezen, schrijven en wiskunde. Wiskunde zou nooit zijn sterkste punt worden, maar hij ontwikkelde zich als een goed schrijver en een gulzig lezer. In de drukkerij las hij vaak de boeken die gebonden moesten worden. Zijn baas vond dat hij zijn tijd verdeed met het lezen van fictieve werken en moedigde hem aan om dingen van grotere waarde te lezen. Het siert Faraday dat hij dat advies ter harte nam; hij begon nu wetenschappelijke artikelen te lezen. Een boek over scheikunde wist hem zó te boeien, dat hij de beschreven experimenten begon na te bootsen. Toen hij in de Encyclopedia Britannica las over de nieuwe ontdekkingen op het gebied van elektriciteit, zoals Volta's nieuwe uitvinding die een constante stroom kon leveren, was hij zó gefascineerd, dat hij in de drukkerij naar onderdelen zocht – zoals flessen, lappen en klemmen – waarmee hij zijn eigen “zuil van Volta" bouwde, een recentelijk uitgevonden batterij. Met deze batterij en enkele glazen potten die hij met zijn schrale spaargeld had gekocht, maakte hij zijn eigen condensator en een elektrostatische generator.

Rond deze tijd werd Faraday ook sterk beïnvloed door een boek van de Engelse hymneschrijver Isaac Watts, de auteur van beroemde liederen als “O God, Our Help In Ages Past", “When I Survey the Wondrous Cross", “I Sing the Mighty Power of God", “Jesus Shall Reign" en “Joy to the World". Het boek was getiteld “The Improvement of the Mind". Michael was vastbesloten om zichzelf discipline bij te brengen door heilzame boeken te lezen, aantekeningen te maken bij belangrijke gelegenheden en de gewoonten van invloedrijke mensen te observeren. Dit hielp hem om enkele gaten te vullen in zijn ondermaatse onderwijs. Wanneer hij kon, vroeg hij vrienden en bekenden om hem te helpen met grammatica, spelling en punctuatie. Hij begon ook wetenschappelijke lezingen bij te wonen en sloot vriendschappen met andere jongemannen met vergelijkbare interesses om ook hun leefomstandigheden te verbeteren.

Michael droomde ervan een wetenschapper te worden, maar dacht dat het vanwege zijn armzalige achtergrond en gebrekkig onderwijs zijn lot was om in een winkel te werken. Zijn moeder en de andere gezinsleden waren afhankelijk van zijn inkomen, en werden er nog afhankelijker van na het overlijden van zijn vader, toen hij zelf pas 19 was. Tegen die tijd was hij een dagloner in de boekbinderij van monsieur Riebau, een Franse zakenman. Op een dag kreeg hij een stuk papier dat het toegangskaartje tot zijn dromen zou blijken te zijn: vrijkaarten voor vier wetenschappelijke lezingen aan de Royal Institution door een van de meest prominente wetenschappers van Groot-Brittannië: Sir Humphry Davy.

De Royal Institution werd in 1799 opgericht door Benjamin Thompson (1753-1814), een excentrieke, maar intelligente filantroop. Thompson was geboren in Massachusetts en werd later de graaf van Rumford in Beieren voordat hij naar Londen verhuisde (en weer later huwde hij de weduwe van Lavoisier in Frankrijk). Rumford ontwierp de Royal Institution, een combinatie van een onderzoekslaboratorium, bibliotheek en auditorium, als een uitstalkast van de toegepaste wetenschap. Het instituut had een van de grootste zuilen van Volta uit dit tijdperk. Het bevatte een royale hoeveelheid chemicaliën, kabels en magneten, en was dus de plek bij uitstek in Londen om meer te leren over natuurkunde. Humphry Davy, bekend vanwege zijn uitvinding van de Davylamp (een veiligheidslamp voor gebruik in kolenmijnen), was een vroeg experimenteel onderzoeker op het gebied van elektrolyse. Hij had het gebruikt om zes elementen te ontdekken: kalium, natrium, strontium, barium en magnesium. Ook Davy was een christelijke wetenschapper. Henry Morris zei het volgende over hem: “Hij was een Bijbelgelovende christen, bijzonder altruïstisch en vrijgevig, ook al was hij niet zo gericht op het geestelijke en niet zo geestelijk als Faraday. Hij was ook een dichter en een tijdlang een soort christelijk mysticus. Maar in zijn latere jaren keerde hij terug naar het Bijbelse christendom en vond daarin vrede" (“Men of Science, Men of God", p. 38).

Sir Davy’s openbare lezingen aan de Royal Institution waren zeer populair en brachten inkomsten op van rijke bezoekers (omdat het instituut afhankelijk was van abonnees). Je kunt je alleen maar voorstellen hoe Faraday, nu een jongeman met een behoorlijke kennis van scheikunde en elektriciteit, ernaar verlangd moet hebben om Davy te gaan zien. Hij was al een regelmatig bezoeker van bijeenkomsten op woensdagavond van de City Philosophical Society, een groep die bestond uit werkende mannen die geïnteresseerd waren in wetenschap. Hij hield uitgebreide notities bij van deze bijeenkomsten, die zijn bazen vaak trots aan hun klanten lieten zien. Een van deze klanten was hiervan zó onder de indruk dat hij Michael de genoemde vrijkaarten gaf. Het jaar was 1812; Faraday was nu 21. Hij zorgde ervoor dat hij al vroeg aanwezig was; met een overvloed aan notitiemateriaal nam hij plaats op de eerste rij.

Betoverd door alles wat Davy die dag presenteerde, schreef Faraday alles op, kopieerde het vervolgens thuis tot een nettere vorm en bond het geheel samen in een boek van 386 pagina's. Maanden vervlogen terwijl Faraday bleef dromen van een toekomst als wetenschapper zoals Davy. Toen zijn periode als leerjongen ten einde liep, aanvaardde hij een baan als boekbinder aan de andere kant van de stad, maar hij vond dit werk moeizaam en onbevredigend. Hij nam een dappere stap. Hij schreef Davy en vroeg hem om een baan. Met zijn verzoek stuurde hij ook een gebonden verzameling van de notities die hij tijdens de lezingen had geschreven. Davy's antwoord was beleefd, maar teleurstellend; hij had geen plaats beschikbaar. In de maand oktober van datzelfde jaar raakte Davy tijdelijk blind door een explosie in zijn laboratorium. Faraday mocht toen enkele dagen als secretaris voor Davy werken, maar na Davy's herstel waren er nog steeds geen vaste banen beschikbaar.

Maar op een avond stopte er een koets voor Michaels huis, met een brief van Davy. Opgewonden scheurde Michael de brief open. Hij werd opgeroepen om de volgende dag bij de Royal Institution te verschijnen! Davy's assistent was zojuist ontslagen vanwege zijn betrokkenheid bij een vechtpartij. Er was nu dus wel een betrekking beschikbaar en Davy was de gretige jongeman niet vergeten. Davy had al veel grote ontdekkingen gedaan, maar hij zou later toegeven dat Faraday zijn allergrootste ontdekking was geweest.

Het aanvaarden van deze baan zou een aanzienlijke salarisverlaging inhouden, maar Michael accepteerde de positie met enthousiasme. Zijn baan was aanvankelijk weinig meer die van een conciërge: flessen wassen, voorbereidingen treffen voor lezingen, boekhouden, dingen repareren en de meester assisteren wanneer dat nodig was. Maar de gelegenheid om te leren aan de voeten van een van de grootste wetenschappers in Engeland was de wetenschapsopleiding bij uitstek voor deze benadeelde jongeman. Faraday deed enorm zijn best. Hij leerde alles wat hij maar kon leren, hield gedetailleerde notities bij, bestudeerde boeken in de avonduren en werkte bereidwillig lange dagen. Al snel deed Michael niet onder voor de meeste andere scheikundigen in de wereld. Bovendien werd hij in 1813 door Davy uitgenodigd om hem te vergezellen als zijn persoonlijke secretaris op een rondreis door Europa, waar hij in anderhalf jaar tijd landen als Italië, Zwitserland, Nederland en Duitsland bezocht. Faraday had daar de gelegenheid om enkele van de belangrijkste wetenschappers op het continent te bezoeken, waaronder Volta en Ampère. Het was niet altijd gemakkelijk; de praatzuchtige en snobistische mevrouw Davy had de gewoonte om Michael als een knecht te behandelen, maar toch bleek de reis in het algemeen een waardevolle toevoeging aan Faradays voortdurende opleiding.

Bij de Royal Institution was Faraday als een kind in een snoepwinkel. Zijn experimenten zijn legendarisch. De Encyclopedia Britannica vat enkele van zijn belangrijke ontdekkingen als volgt samen:

    Faraday, die een van de grootste wetenschappers van de 19e eeuw werd, begon zijn carrière als scheikundige. Hij schreef een handleiding voor praktische scheikunde die het meesterschap van de technische aspecten van deze kunst openbaarde, ontdekte een aantal nieuwe organische mengsels, waaronder benzeen, en was de eerste die een “permanent" gas (d.w.z. een gas waarvan men dacht dat het niet in vloeibare toestand kon voorkomen) vloeibaar wist te maken. Zijn belangrijkste bijdrage was echter op het gebied van elektriciteit en magnetisme. Hij was de eerste die een elektrische stroom uit een magnetisch veld wist voort te brengen, vond de eerste elektrische motor en dynamo uit, toonde aan wat de relatie was tussen elektriciteit en chemische verbindingen, ontdekte het effect van magnetisme op licht, en ontdekte diamagnetisme (wat hij ook deze naam gaf), het bijzondere gedrag van bepaalde stoffen in sterke magnetische velden. Hij legde het experimentele, en een groot gedeelte van het theoretische, fundament waarop James Clerk Maxwell zijn klassieke theorie aangaande elektromagnetische velden bouwde.

Helaas verhult deze samenvatting decennia van hard werk en vele eenzame, maar avontuurlijke dagen en nachten in het laboratorium. Soms gebruikte Faraday zijn tong als een voltmeter of chemische proever... en explosies waren niet ongewoon. Maar hij stond op nauwkeurigheid, hield accurate verslagen bij en publiceerde zijn resultaten trouw. “Werk, voltooi, publiceer" was zijn motto, terwijl hij er onophoudelijk naar streefde om de grenzen van de natuurkunde te verkennen.

Michael ontwikkelde ook zijn vaardigheden als openbaar spreker. Hij begreep zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn toehoorders. Een van zijn persoonlijke projecten bestond uit het bepalen van de meest effectieve technieken om de aandacht van zijn toehoorders vast te houden en hen een tevredenstellend en opbouwend uur in het auditorium te bezorgen. Nog geen decennium nadat hij door Davy in dienst was genomen, had Faraday de uitmuntendheid van zijn meester al overtroffen. Hij was nu een bekwaam spreker, een bekend experimenteel onderzoeker en een wetenschapper met een groot aantal belangrijke publicaties op zijn naam. Hij was bovendien een getrouwd man; hij was in juni 1821 in het huwelijksbootje gestapt met Sarah Barnard, een lid van zijn kerkgemeente. In 1824 werd deze boekbinder, die zichzelf tot wetenschapper had opgeleid, gekozen als lid van de Royal Society, en hij volgde een jaar later Sir Humphry Davy op als directeur van de Royal Institution.

De Faradays woonden veertig jaar lang boven de Royal Institution. Michael was gewoon om lange dagen te werken in zijn laboratorium in de kelder, waar Sarah hem vaak zijn avondeten bracht. Zij deed nooit alsof ze zijn onderzoek begreep (wat Michael prima vond, omdat zij na urenlange experimenten vaak een “kussen voor zijn verstand" was), maar de twee hielden zielsveel van elkaar en waren elkaar hun hele leven lang trouw. Het was tragisch dat zij nooit in staat waren om kinderen te krijgen, want ze hielden allebei veel van kinderen. Deze teleurstelling werd deels verzacht door de aanwezigheid van twee nichtjes die bij hen kwamen wonen. Al was Michael geen tegenstander van sociale interacties, toch was hij het meest tevreden als hij gewoon aan zijn experimenten kon werken in het laboratorium. Hij vond experimenten “schone dingen" en zij schonken hem het vertrouwen dat hij nodig had voor zijn onderzoek van de natuurwetten. Hij had zó veel vertrouwen in de natuurwetten, dat hij ooit een riskant experiment uitvoerde waar hij zelf deel van uitmaakte. Hij bouwde een metalen kooi, een vierkant met een zijde van vier meter, en laadde de kooi op met zo veel statische elektriciteit dat er bliksemachtige vonken vanaf sprongen. Om te bewijzen dat het elektrische veld op een geleidend oppervlak zich alleen aan de buitenkant bevindt, ging hij zelf de kooi in om te verifiëren dat aan de binnenkant geen waarneembaar veld bestond. Geen wonder dat een dergelijke constructie tegenwoordig nog steeds een “kooi van Faraday" wordt genoemd!

Michael deed enkele van zijn belangrijkste ontdekkingen in de vroege jaren van zijn huwelijk. Hij legde toen onder andere het natuurkundige fundament voor de elektrische motor, de generator en de transformator. Veel mensen zien de ontdekking van elektromagnetische inductie – de productie van een gestadige elektrische stroom uit de mechanische actie van een magneet - als de kroon op zijn werk. Dit principe werd kennelijk in Amerika tegelijkertijd en onafhankelijk ontdekt door Joseph Henry, een andere toegewijde christen, maar Faraday publiceerde zijn ontdekking het eerst. Dit werd het fundament van de elektrische dynamo of generator, een nieuwe en goedkope energiebron die de stoommachine in de daaropvolgende jaren zou voorbijstreven en de energievoorziening van de wereld zou revolutioneren.

Al stond Faraday vooral bekend als de grote experimentele onderzoeker, toch had hij ook uitstekende theoretische inzichten. Zijn concept van het elektromagnetische veld, het idee dat ruimte is doordrongen van energie die krachtlijnen volgt, was revolutionair in die tijd (het principe kan overigens gemakkelijk aangetoond worden met een experiment dat vaak door kinderen wordt uitgevoerd, waarbij ijzerschaafsel op een stuk papier met een magneet wordt “uitgelijnd"). Het verschafte Maxwell het inzicht waarmee hij later zijn vier wetten van de elektrodynamica ontwikkelde.

Omdat Faraday slechts een mager inkomen genoot en de Royal Institution vaak krap bij kas zat, werden de meeste van zijn belangrijke ontdekkingen gedaan met behulp van pienter bedachte toestellen die hij zelf had gebouwd van goedkope materialen. Hermann von Helmholtz merkte hierover het volgende op: “Enkele draden en een paar stukken oud hout en ijzer leken genoeg te zijn voor zijn grootste ontdekkingen." Tot op de dag van vandaag staan geschiedkundigen versteld van de omvang van de fundamentele ontdekkingen die werden gedaan door deze onderbetaalde wetenschapper, die zichzelf had onderwezen en slechts weinig aanleg voor wiskunde had (voor een uitstekend overzicht van zijn werk, met illustraties, zie John Meurig Thomas, “Michael Faraday and the Royal Institution", hoofdstuk 4). Alleen al zijn werk in de scheikunde zou hem beroemd hebben gemaakt; voeg hieraan zijn prestaties toe op het gebied van elektromagnetisme, elektrolyse, diamagnetisme, paramagnetisme, veldtheorie, akoestiek, licht en nog veel meer, en dan blijkt zijn levenswerk onovertroffen. Hij is de enige natuurkundige naar wie maar liefst twee internationale eenheden zijn vernoemd: de faradayconstante (ook wel de constante van Faraday genoemd, een eenheid die betrekking heeft op elektrische lading) en de farad (een eenheid van elektrische capaciteit). Verder is zijn naam gegeven aan het zogenaamde Faraday-effect (de invloed van magnetisme op gepolariseerd licht) en de elektrolysewet van Faraday. Elk van deze had belangrijke praktische toepassingen waarvan al snel gebruik werd gemaakt door ondernemers.

Naast zijn experimentele faam stond Michael Faraday ook bekend om zijn openbare lezingen en demonstraties, die een hoge standaard instelden waardoor vele anderen beïnvloed zouden worden, en die overigens nog steeds wordt toegepast door de Royal Institution. Faraday was ook iemand die de wetenschap populair maakte; op dat gebied zijn velen in zijn voetsporen getreden, maar slechts weinigen hebben zijn prestaties kunnen evenaren. Het is opmerkelijk dat hij zo veel lezingen aan de Royal Institution kon houden, elke daarvan zorgvuldig gepland en voorbereid en geïllustreerd met experimenten die hij gewoonlijk zelf had ontworpen, als je bedenkt hoe druk hij het had en hoe weinig hij verdiende. Een van zijn opmerkelijkste nalatenschappen was zijn jaarlijkse Kerstlezing voor kinderen, een traditie die zelfs vandaag de dag nog wordt voortgezet. Bij deze betoverende bijeenkomsten moesten de ouders achter in de zaal blijven, terwijl de kinderen alle stoelen op de eerste rijen kregen. Faraday had geen enkele moeite om de aandacht van de kinderen vast te houden; hij wist het alledaagse te gebruiken om heel bijzondere dingen te laten zien. Hij gebruikte bijvoorbeeld een simpele kaars om er allerlei wonderen van de natuur mee te illustreren. Dit is een prima illustratie van de wet van Muir: “Als we iets op zichzelf willen beschouwen, komen we tot de ontdekking dat het met alles in het heelal verbonden is." Zijn populairste reeks Kerstlezingen was getiteld “The Chemical History of a Candle" (“De scheikundige geschiedenis van een kaars"), dat tegenwoordig in boekvorm nog steeds een klassieker is (er bestaan alleen al 70 verschillende Japanse edities).


Wat verandert een arme jongeman in een van 's werelds grootste experimentele wetenschappers? Wat maakte Michael Faraday anders dan de andere arme jongens in zijn wijk? Er bestaat geen twijfel over dat zijn christelijke geloof de belangrijkste factor was. Zijn ouders hadden hem stevig gegrond in de Bijbelse levensbeschouwing. Geschiedkundigen vinden het intrigerend dat Faraday, een wetenschapper, zijn hele leven lang zo trouw bleef aan zijn kerk. De Faradays waren non-conformisten in de zin dat zij de officiële staatskerk met haar hoge mate van liturgie (en sociale acceptatie) hadden afgewezen. Zij gaven in plaats daarvan de voorkeur aan kleine Bijbelstudiegroepen en gehoorzaamheid aan de leer van Jezus Christus. De puriteinen en methodisten waren andere voorbeelden van non-conformistische groepen; John Dalton, Joseph Priestly en Joseph Henry waren enkele andere wetenschappers met een non-conformistisch geloof. De familie Faraday behoorde tot een denominatie die bekend stond als de Sandemannianen, een sekte die zich had afgesplitst van de Schotse Presbyteriaanse Kerk en die een eeuw eerder was opgericht door John Glas. De naam Sandemannianen is afgeleid van zijn schoonzoon, Robert Sandeman, die de leider van de groepering werd. De Sandemanniaanse kerk was in feite een “terug-naar-de-bijbelbeweging". Zij stonden kritisch tegenover de tradities die door de georganiseerde kerk waren toegevoegd aan de Schrift, en de corruptie die hier vaak op volgde, en probeerden terug te keren naar het oorspronkelijke apostolische christendom van het Nieuwe Testament. Enkele van hun kenmerken waren onder andere dat zij meerdere ouderlingen hadden, en in hun erediensten een besloten heilig avondmaal, voetwassingen, het lezen van de Schrift en lange gebeden. Alle leden werden als gelijken beschouwd, zonder onderscheid tussen geestelijken en leken. Zij stonden kritisch tegenover het vergaren van rijkdom en andere wereldlijke uitingen, maar prezen nederigheid, eenvoud en liefdadigheid. Hun erediensten en gezamenlijke maaltijden namen een groot gedeelte van de zondag in beslag. Van alle leden, vooral de ouderlingen, werd verwacht dat zij de bijeenkomsten op de dag van de Heer en de gebedsbijeenkomsten op woensdagavond trouw bijwoonden (Farady verloor ooit zijn positie als ouderling omdat hij vanwege een bezoek aan de koningin een bijeenkomst miste; pas na een periode waarin hij berouw toonde over zijn gebrekkige prioriteiten werd hij in ere hersteld).

Hoe zouden dergelijke godsdienstige gewoonten, die zo verstoken lijken te zijn van enige interesse in de wetenschap, het laboratoriumonderzoek van een jonge wetenschapper beïnvloeden? Dit onderwerp werd nader bekeken door Jack Meadows in zijn hoofdstuk over Faraday in “The Great Scientists", getiteld: “Non-conformistische godsdienst en wetenschap" (p. 135). Hij schrijft: “De groei van de moderne wetenschap overlapte de drastische godsdienstige ontwikkelingen tijdens de Reformatie." [1] Ook al geeft hij toe dat het verband tussen deze ontwikkelingen soms vaag is, toch wijst hij op enkele kenmerken van het non-conformisme die een bijdrage leverden aan de wetenschappelijke onderneming en op het feit dat enkele van de grootste wetenschappers voortkwamen uit de non-conformistische stroming. Non-conformisten waren bijvoorbeeld altijd in zekere mate sociale buitenstaanders. Al werden zij vaak getolereerd, toch werden zij ook vaak zwaar vervolgd (je hoeft maar te denken aan de pelgrims die vooral op zoek naar godsdienstvrijheid naar de nieuwe wereld vertrokken; later emigreerde ook Robert Sandeman naar Amerika vanwege de godsdienstige druk die in Engeland op hem werd uitgeoefend). Dit soort behandeling kan teruggevoerd worden op de reformatie, wat zelf al een non-conformistisch fenomeen van de eerste orde was. Enkele protestantse kerken werden nu echter zelf de nieuwe gevestigde orde. Nieuwe hervormers voelden zich vaak gedwongen zich hiervan af te scheiden. Wanneer zij dat deden, leden zij onder dezelfde druk, kritiek en vervolging. Dit kan grotendeels worden toegeschreven aan de menselijke sociale zwakheid (een “wij" tegenover “hen" mentaliteit). Vaak wordt de uitgesloten groep, die nu een defensieve positie inneemt, dan nog meer gemotiveerd om zijn standpunt duidelijk te beschrijven en veranderingen door te voeren. En dat is een houding die positieve gevolgen kan hebben op andere gebieden.

Daarnaast waren zij als verstotelingen sterke individualisten. Non-conformisten werden vaak wettelijke beperkingen opgelegd. Zo mochten zij de staatsscholen en -universiteiten niet bezoeken, omdat deze instellingen zo nauw verweven waren met de staatskerk. Een gevolg hiervan was een golf van nieuwe houdingen en niet-traditionele methodes in het onderwijs. Non-conformisten ontwikkelden hun eigen academies. Meadows legt uit dat hun “curriculum breder was dan dat van traditionele scholen en universiteiten. Het bevatte vooral een significante wetenschappelijke component... Deze 'afwijkende academies' werden zo een belangrijke voedingsbodem voor de wetenschap."

Maar waarom zouden godsdienstige mensen die vooral de vroege kerk wilden nabootsen eigenlijk wat om wetenschap geven? Dit is waar Meadows het duidelijkste verband legt: “Een groot aantal van de non-conformistische sekten bleef goedgezind tegenover wetenschap en technologie. De industriële revolutie in Engeland in de 18e eeuw was in hoge mate aan hen te danken." Al zegt Meadows dit niet uitdrukkelijk, toch kon deze goedgezinde houding tegenover de wetenschap alleen maar het gevolg zijn geweest van een toewijding aan de Bijbelse scheppingsleer. De overtuiging dat God een wereld heeft geschapen die ordelijk, prachtig en doelgericht is en volgens zijn natuurwetten werkt, is een drijfveer voor wetenschappelijke inspanningen. Daarom zegt Meadows: “Het is niet verrassend dat iemand met de non-conformistische achtergrond van Faraday in de wetenschap geïnteresseerd zou raken." Voeg hieraan het geloof toe dat uitmuntendheid bevorderd moet worden (“Maar ik wil dat als jullie eten of drinken, of wat voor dingen dan ook doen, het altijd God moet eren", 1 Korintiërs 10:31), de bekende protestantse werkethiek (“...dat mensen die niet willen werken, ook niets te eten zullen krijgen", 2 Tessalonicenzen 3:10) en trouw aan de Waarheid (“U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste", Exodus 20:16), en je hebt een lijst van vereiste eigenschappen van een goed wetenschapper.

Velen hebben opgemerkt dat Faradays geloof dat de natuurkrachten met elkaar verenigd zijn, een geloof dat voortkwam uit zijn Bijbelse geloof dat zij alle door een en dezelfde Schepper werden geschapen, een sterke invloed had op zijn werk in het laboratorium. Het was een rechtstreekse motivatie voor zijn experimenten op het gebied van elektromagnetische inductie en andere pogingen om verbanden te leggen tussen elektriciteit, magnetisme, chemische energie, beweging en zelfs zwaartekracht (hij slaagde niet in dat laatste, en er zijn nog steeds wetenschappers die dit vandaag de dag proberen). De eenheid van de natuurkrachten is geen uniek christelijke leer (sommige Grieken in de oudheid en sommige moderne kosmologen geloven dit eveneens), maar in Faradays geval was het een duidelijk voorbeeld van hoe een geloof in de schepping rechtstreeks leidde tot voortreffelijke wetenschappelijke prestaties. Zijn geloof in de Bijbelse levensbeschouwing kan ook ontwaard worden in zijn werken over het behoud van energie: “Het idee dat energie vernietigd kan worden of volledig kan verdwijnen zou hetzelfde zijn als het idee dat materie ongeschapen zou kunnen zijn..." (Thomas, pp. 101-102).

Nog belangrijker is dat Faraday, omdat hij van God hield, ook van Gods schepping hield. John Meurig Thomas schrijft: “De schoonheid van de natuur, vooral de heuvels van Devonshire, de dalen van Zuid-Wales, konden in hem een lyrische extase opwekken. Wanneer hij nadacht over watervallen, de regenboog of bliksem, waren zijn woorden vaak net zo poëtisch als die van Wordsworth, al heeft hij ze nooit in een gedicht opgeschreven" (Thomas, p. 118). Het is niet verwonderlijk dat hij de zoektocht naar wetenschappelijke ontdekkingen als een heilige roeping beschouwde en het begrip van de natuur als een geschenk van God. Het christelijke geloof was Faradays energiebron. Zijn vriend en opvolger John Tyndall was een scepticus, maar merkte het volgende op: “Volgens mij komt een groot gedeelte van Faradays doordeweekse kracht en doorzettingsvermogen voort uit zijn zondagse gewoonten. Op zondag drinkt hij uit een fontein die zijn ziel voor de rest van de week verfrist."

Zijn doorzettingsvermogen bracht hem bijna tot een punt waarop hij volkomen uitgeput was. Hij was sterk en atletisch, maar de lange dagen en de stress hadden in hem een “mentale troebelheid" opgebouwd (zoals hij het zelf noemde). Zijn vrienden stonden erop dat hij een langdurige rustperiode inlaste. Hadden wij allemaal maar de energie van de “rustende" Michael Faraday. George Mulfinger schrijft: “Zijn lichaam was nog steeds sterk en toen hij op 50-jarige leeftijd naar Zwitserland ging om te rusten, wandelde hij dagelijks vijftig kilometer. Zijn vrouw maakte zich alleen zorgen over hem op de dag waarop hij zeventig kilometer had gelopen." [2]

Faraday leefde tijdens de Darwinistische revolutie, maar die zat hem nooit dwars. Thomas schrijft: “Omdat hij vrede had in de zekerheid van zijn godsdienstige overtuigingen, was hij nooit verontrust door het schijnbare conflict tussen wetenschap en geloof" (het sleutelwoord is schijnbaar). Faraday was niet lichtgelovig. Dat was zeer zeker niet zijn aard, zoals we kunnen zien in zijn streven naar nauwkeurigheid in al zijn experimenten en zijn aarzeling om conclusies te trekken voordat deze experimenteel bevestigd waren. Hij bespotte de naïviteit van de spiritualisten. In deze tijd bestond er een ware rage wat betreft het Ouija-achtige “tafeldraaien" (een manie waardoor zelfs de mede-"ontdekker" van de natuurlijke selectie, Alfred Russell Wallace, werd betoverd). Met een uitzonderlijk ongeduld mopperde Faraday als volgt over deze trend: “Wat een zwakke, lichtgelovige, ongelovige, bijgelovige, brutale, bange en belachelijke wereld leven we in wat betreft het denken van de mens. Hoe bol zij staat van tegenstrijdigheden, tegenspraken en absurditeiten" (Thomas, p. 127). Zijn vertrouwen in het Woord van God daarentegen wankelde nooit. Toen hem gevraagd werd te speculeren over een leven na de dood, moet de journalist wel verbaasd zijn geweest over zijn abrupte en ferme antwoord: “Speculaties? Die heb ik niet. Ik bouw op zekerheden." Met een citaat van 1 Timoteüs 1:12, de apostolische overtuiging van Paulus, vervolgde hij: “Maar ik schaam me daar niet voor, want ik weet op Wie ik vertrouw. En ik weet zeker dat Hij dat wat Hij mij heeft gegeven, zal kunnen beschermen tot die dag dat Hij komt."

Die overtuiging verloor hij ook op hoge leeftijd niet. Michael leed al vanaf zijn twintiger jaren aan geheugenverlies, dat verergerde naarmate hij ouder werd. Hij werd niet onsamenhangend of mentaal incompetent, maar gewoon vergeetachtig. Het is mogelijk dat dit veroorzaakt werd door blootstelling aan kwik of andere chemicaliën in het laboratorium. Een voordeel voor geschiedkundigen is dat deze aandoening hem ertoe dwong om alles op papier te zetten; Faraday liet een monumentaal erfgoed achter van brieven en documenten die ons een glimp bieden van zijn karakter. Ze werden geschreven met een sierlijkheid en expressiviteit die volgens Thomas een “hypnotische kwaliteit" heeft en “nog steeds de wetenschapshistoricus beloont, de harten van jonge mensen in vuur en vlam zet en een vonk ontsteekt in de gedachten van zowel ervaren als aspirant wetenschappers" (Thomas, p. 95; zie “Faraday’s Writings", hoofdstuk 5). Thomas hemelt niet alleen de stijl op, maar ook de inhoud, de “elegante eenvoud van zijn argumenten", die zijn geschreven op een magische manier die “bewondering oproept en informatie op eenzelfde manier overdraagt." Dit is des te opmerkelijker als we de povere kwaliteit van zijn vroege onderwijs in beschouwing nemen. Thomas citeert uitgebreid uit Faradays werk om zijn literaire erfgoed, met 450 originele artikelen en 2000 brieven, uit te stallen.

Faradays nederigheid en geloof komen tot uitdrukking in zijn woorden: “Er is geen honger naar populair applaus, geen jaloezie over het werk van anderen..." Zijn veelzijdigheid, originaliteit, intellectuele energie en doorzettingsvermogen vervullen ons met ontzag. Daarnaast is er de wonderbaarlijke gave die hij als natuurfilosoof heeft ontvangen, waarmee hij de wereld, en de krachten en mechanismen die haar in stand houden, overdenkt" (Thomas, p. 96-97). Faraday was een tactvolle, bescheiden, bedachtzame woordkunstenaar die twistzieke tegenstanders wist te bedaren, gepaste verontwaardiging op een zachtmoedige manier kon uitdrukken, op sierlijke wijze een gunst kon afwijzen en een eerbetoon op nederige wijze kon aanvaarden. In een boekrecensie in Nature (29 maart 1997, p. 469-470) ter gelegenheid van een nieuwe druk van “The Correspondence of Michael Faraday" zei Thomas: “De brieven van Faraday zijn niet alleen opmerkelijk vanwege hun levendigheid en originaliteit, maar ook vanwege hun verheven toon en uitstekende compositie – zij zijn werkelijk voorbeelden van de verloren kunst van het briefschrijven." In zijn biografie schrijft Thomas hoe vooral Faradays kunst om een onderwerp te introduceren indruk op hem maakte. Een voorbeeld:

    “De wetenschap van de elektriciteit is er één waarin elk onderdeel ervan experimenteel onderzoek vereist; niet slechts om nieuwe effecten te ontdekken, maar ook, wat op dit moment veel belangrijker is, de ontwikkeling van de manieren waarop de oude effecten worden voortgebracht en de nauwkeuriger bepaling van de eerste principes waarmee de meest gewone en universele kracht in de natuur te werk gaat: en voor die filosofen die het onderzoek ijverig, maar bedachtzaam uitvoeren, die experiment en analogie combineren, zich bewust zijn van hun eigen vooronderstellingen, meer aandacht schenken aan feiten dan aan theorie, niet te snel generaliseren, en bovenal bereid zijn om bij elke stap hun eigen meningen aan een kruisverhoor te onderwerpen, door zowel te redeneren als te experimenteren, [voor die filosofen] is er geen kennisgebied dat een betere grond voor ontdekkingen kan bieden. Dit is overvloedig tot uiting gekomen in de vooruitgang die elektriciteit heeft geboekt in de afgelopen dertig jaar: scheikunde en magnetisme hebben haar overstemmende invloed erkend; en het is waarschijnlijk dat uiteindelijk ontdekt zal worden dat elk effect dat afhankelijk is van de kracht van anorganische materie, en misschien wel de meeste effecten die te maken hebben met het planten- en dierenleven, eraan onderworpen blijken te zijn."

Deze en vele andere voorspellingen bewezen de juistheid van zijn inzichten. Toen hij ouder werd, bleef zijn lichaam sterk, maar zijn geheugen bleef hem in de steek laten. Hij ging door met zijn lezingen tot hij 70 jaar oud was, maar slechts met veel moeite. Hij aanvaardde zijn lot vredig en sierlijk. Hij schreef de volgende woorden aan een vriend: “Ik ben, zo hoop ik, heel dankbaar dat, nu de kracht en de dingen van dit leven afnemen, de goede hoop in mij blijft die de overpeinzing van de dood tot een vertroosting maakt, en niet een angst. Een dergelijke vrede kan alleen in het geschenk van God worden gevonden, en omdat Hij degene is die het geeft, waarom zouden we dan bang zijn? Zijn onuitsprekelijke geschenk in zijn geliefde Zoon is de grond van een hoop die niet twijfelachtig is; en daarin schuilt de rust voor degenen die als jij en ik het einde van onze tijd hierbeneden naderen" (geciteerd in Mulfinger, p. 94). Bij zijn afscheid van de Royal Institution kregen hij en zijn vrouw een woning ter beschikking in Hampton Court, vlak bij het paleis, als uitdrukking van de waardering voor zijn vele bijdragen aan de wetenschap. Hij bedankte voor het ridderschap en wilde niets anders dan zijn naam op zijn grafsteen. Het enige wat hij nooit zou vergeten terwijl de mentale mist steeds dikker werd, was zijn liefde voor de Heer en zijn vertrouwen op zijn goede beloften. Hij verbleef de laatste negen jaar van zijn leven in Hampton Court, waar hij stilletjes uitkeek naar de hemel, waarin hij op 26 augustus 1867 werd opgenomen. De wereld hierbeneden baadt nog steeds in het licht van de ontdekkingen die door de heel gewone Michael Faraday werden gedaan.

Nawoord: geleerde lessen

Ik twijfel er niet aan dat Faradays verhaal jou bemoedigt. De herinnering aan deze man wordt door geen greintje onoprechtheid of tweeslachtigheid ontsierd. We kunnen, achteraf, wel gissen naar enkele dingen die mogelijk hadden kunnen gebeuren. Een aspect dat wetenschapshistorici bijzonder interessant vinden is dat Faradays leven een raakvlak had met de Darwinistische revolutie, de snelle opkomst van het evolutionisme en het materialisme die in slechts twaalf korte jaren (1859-1871) de wetenschap van de natuurfilosofen – voornamelijk christenen – veranderde in de wetenschap van sceptici als Huxley en Haeckel. Zelfs John Tyndall, Faradays bewonderaar en opvolger, was een schakel in deze revolutie. Faraday kende bijna alle grote wetenschappers van zijn tijd persoonlijk. Waarom vond de Darwinistische revolutie plaats tijdens zijn leven? Waarom had zijn christelijke getuigenis zo weinig invloed op degenen die overal om hem heen de zaadjes zaaiden van het scepticisme, het atheïsme, het methodologisch naturalisme en de hogere Schriftkritiek?

Op de eerste plaats was Faraday al 69 jaar oud toen Darwin zijn “Oorsprong der soorten" publiceerde. Tegen die tijd had hij al ernstige geheugenproblemen. Maar toch: bewegingen hebben een oorsprong; aan het eind van de 18e eeuw en het begin van de 19 eeuw waren er al zaadjes uitgekiemd die het Bijbelse geloof zouden ondermijnen. Lyells geologische theorieën hadden twijfels opgeroepen over de Bijbelse tijdlijn. Pré-darwinistische traktaten en boeken zoals Robert Chambers' “Vestiges", bereikten een steeds groter publiek. Faraday moet zich ongetwijfeld bewust zijn geweest van dergelijke sceptische bewegingen, maar het is moeilijk om iets te vinden waarin Faraday zich hiertegen uitspreekt, ook al laat zijn uitbarsting tegen het spiritualisme zien dat hij zijn uitgesproken mening niet altijd onder stoelen of banken stak. Het is verontrustend dat we in een bijlage van Thomas' biografie van Faraday lezen dat hij als directeur van de Royal Institution persoonlijk een gemengd gezelschap van wetenschappers uitnodigde voor lezingen: christenen als Maxwell, Kelvin, Stokes en Whewell, maar ook sceptici als Tyndall, Lyell en zelfs “Darwins bulldog", Thomas Huxley. Huxley sprak vier maal in het instituut tussen 1852 en 1861, twee jaar na de publicatie van Darwins boek en een jaar waarin Engeland in rep en roer was door de controverse aangaande de evolutieleer. In 1861 was het onderwerp van Huxleys lezing “Over de aard van de vroegste fasen van de ontwikkeling van dieren". Het is niet moeilijk om je voor stellen wat Huxley, de vurigste voorstander van Darwin in Groot-Brittannië, hierover te zeggen had. In 1855 schreef Faraday een brief aan Tyndall die model staat voor toenadering en verzoening, maar nog geen twintig jaar later zou deze zelfde Tyndall ten voorstaan van de British Association de triomf van het wetenschappelijk naturalisme aankondigen. Slechts enkele jaren na Faradays pensioen werd ook zijn Royal Institution een spreekbuis van het Darwinisme. We moeten hier eerlijkheidshalve aan toevoegen dat de Royal Institution geen godsdienstige instelling was en dat het Faradays verantwoordelijkheid was om toonaangevende wetenschappers een platform te bieden: het uitnodigen van een bepaalde spreker stond dus niet gelijk aan instemming met wat die spreker te zeggen had. Desondanks is de stilte verbijsterend. Waarom zei Faraday niets? Waarom schreef hij hierover geen verhandelingen, hield hij geen lezingen over wetenschap en de Bijbel? Waarom deed hij niet méér om de strijd om de wetenschap en de aard van de werkelijkheid te voorkomen, als hij die had kunnen zien aankomen?

Faraday is er niet meer om zichzelf te verdedigen. Het zou daarom oneerlijk zijn om zomaar te concluderen dat deze stilte werkelijk betekent dat hij niets heeft gedaan. Mogelijk heeft hij wel meer gezegd en gedaan dan er in de geschiedenisboeken is opgetekend. Het enige dat we hebben is het argument van de stilte, mogelijke conclusies op basis van zeldzame citaten en de analyse van culturele en politieke trends van die tijd. Wij hebben het voordeel dat we achteraf kunnen terugblikken en de boosaardige vruchten van het sceptische gedachtengoed kunnen zien: eugenetica, Marxisme, Nazisme, sociaal Darwinisme en de hogere Schriftkritiek. Voor Faraday waren dit filosofische onderwerpen die de kop opstaken in een cultuur die nog steeds overeind werd gehouden door christelijke grondbeginselen. Michael Faraday streefde naar een vreedzaam leven. Dat is een goed en nobel persoonlijk doel, maar er is een tijd en een plaats om het kwaad het hoofd te bieden. Faraday had de gaven en de geloofwaardigheid om de richting en de onderwerpen van de wetenschap te kunnen beïnvloeden. Hij heeft ongetwijfeld de seculiere wetenschap bevorderd en zijn persoonlijke karakter was smetteloos, maar de dichotomie tussen zijn kerkleven en zijn wetenschappelijke leven lijkt haast schizofreen. Het is spijtig, wetend wat er uit deze periode is voortgekomen, dat hij niet méér schreef en sprak over de christelijke wetenschapsfilosofie en het verband tussen het christelijke geloof en de wetenschappelijke inspanning, en niet vaker zijn stem liet horen aangaande de toenemende argumenten voor het naturalistische evolutionisme, toen dit het hardst nodig was. Hij onderstreepte 1 Timotheüs 6:20-21 en Romeinen 1:20 in de privacy van zijn studeerkamer, maar verspreidde hij deze boodschap ook?

Een andere factor was de toenemende aanvaarding van het methodologische naturalisme, dat teruggevoerd kan worden naar Sir Francis Bacon: de aanname dat het mogelijk, zelfs wenselijk, is om de wetenschap op een seculiere manier te benaderen; dat de waarheid ontdekt moet worden via enkel een accumulatie van empirische feiten en het trekken van inductieve conclusies op basis van die feiten. Hierbij wordt aangenomen dat dit niet ook meteen metafysisch naturalisme impliceert, het idee dat de natuur alles is wat er is. Maar uiteindelijk bleek de naturalistische wetenschappelijke methode te leiden tot sciëntisme, logisch positivisme en een volkomen toe-eigening van alle kennisgebieden, zelfs de geschiedenis en de kunsten, door secularisten en materialisten. De christelijke natuurfilosofen hadden dit niet zien aankomen; zij meenden dat God verheerlijkt werd wanneer mensen de natuurwetten ontdekten die Hij had ingesteld. Dit is een halve waarheid: natuurlijk wordt Gods wijsheid geëerd wanneer wij zijn natuurwetten ontdekken, maar omdat de nadruk gelegd werd op de natuurwetten, en de aandacht werd afgeleid van Gods oppermacht en vrije wil, werd geleidelijk het idee verwijderd dat God op enige manier zou kunnen ingrijpen in zijn eigen wereld. De natuur werd het uurwerk dat God in het begin had opgedraaid en dat nu op eigen houtje afliep. Het ultra-newtonianisme stelde een voorspelbaar, uurwerkachtig heelal voor, dat beschreven kon worden met vergelijkingen, als we alle variabelen maar kenden. De meeste moderne wetenschappers erkennen dat een dergelijke kijk op de natuur naïef en simplistisch is, maar als we onszelf proberen in te leven in Faradays tijd, kunnen we begrijpen waarom men zo geobsedeerd was door het ontdekken van de natuurwetten – het was een waardig, maar onvolledig doel. John Herschel, William Whewell en anderen die het methodologische naturalisme bevorderden, waren christenen die in een volkomen wijze Schepper geloofden, maar hun aanname dat de natuur op een inductieve manier benaderd kon worden zonder enige metafysische vooronderstellingen, ontkent het Heerschap van Christus in alle aspecten van het leven. Het methodologisch naturalisme werkt tot op zekere hoogte, zoals bijvoorbeeld wanneer een lading, een kracht, een temperatuur of andere waarneembare, herhaalbare oorzaken en gevolgen worden gemeten, maar waar ligt de grens? Omdat zij hadden nagelaten de grenzen van de wetenschap te definiëren, openden de natuurfilosofen de deur voor de secularisten, die nu opperden dat kennis op alle vakgebieden vergaard kan worden via seculier onderzoek, zelfs in de psychologie en het vraagstuk van de herkomst van het leven. De intelligent design beweging is de nieuwste schermutseling in de strijd tussen de botsende levensbeschouwingen. De secularisten denken dat het heelal volledig beschreven kan worden in termen van deeltjes die werken op basis van toeval en noodzakelijkheid (of een combinatie van de twee). Ontwerpwetenschappers voegen hier een fundamentele entiteit aan toe: informatie. Informatie is de vingerafdruk van een ontwerpende intelligentie die niet gereduceerd kan worden tot een natuurwet. Als informatie gedetecteerd en behouden kan worden, zijn pogingen om het heelal en het leven te reduceren tot vergelijkingen aangaande deeltjes gedoemd tot falen. William Dembski heeft een “verklarend filter" bedacht dat verzekert dat toeval en noodzakelijkheid voldoende overwogen worden als mogelijke oorzaak, en dat informatie (van een intelligente ontwerper) als verklaring slechts als een laatste optie wordt gebruikt. Deze aanpak rekent af met de zorgen die vroegere filosofen hadden over “de God van de gaten", zonder de wetenschap te reduceren tot een vertelkunst die probeert om duidelijk bewijs voor ontworpen systemen in de mal van toeval en noodzakelijkheid te gieten.

Het is ook mogelijk – en hier volgt een les voor de moderne christenen – dat de Sandemanniaanse kerk gedeeltelijk schuldig is, omdat zij zonder slag of stoot toeliet dat de Darwinistische revolutie zo succesvol was. Zij legden zo zeer de nadruk op een afzondering van de wereld, dat zij leken te vergeten dat Jezus hen had opgedragen dat zij “het zout van de aarde" en “het licht van de wereld" moesten zijn. Hun leden neigden te huwen met andere leden. Hun geloof verbood hen om met andere christelijke groeperingen om te gaan, en men keurde betrokkenheid bij politieke of sociale kwesties af. Hun geloof leek een persoonlijke zaak te zijn, die zij op zondag en woensdagavonden vurig met elkaar deelden, terwijl zij de rest van de week weinig invloed hadden op hun samenleving. We hoeven er niet aan te twijfelen dat zij van gelovigen verwachtten dat zij op het werk eerlijk en hard werkten (Michael Faraday was hiervan zelf een voorbeeld), maar evangelisatie leek geen hoge prioriteit te hebben. Daardoor werden zij nooit een grote of invloedrijke groepering. Dit is mogelijk een onvolledige evaluatie van een denominatie die al lang niet meer bestaat, maar waarom worden God, de Bijbel, Jezus Christus, de schepping of andere Bijbelse thema's zo zelden genoemd in Faradays wetenschappelijke werken? Is de Auteur van de Schrift niet ook de Auteur van de natuur? Faraday zou die vraag zeker bevestigend beantwoord hebben. Zijn persoonlijke geloof komt levendig over in zijn brieven, maar het lijkt erop dat hij er tegen zijn collega's nooit iets over zei. Zijn wetenschappelijke brieven en de notities van zijn lezingen staan weliswaar bol van de christelijke vooronderstellingen, maar ze lijken net zo seculier als zo vele andere. Tot op welke hoogte werd Faraday beïnvloed door zijn afgesloten kerk? Een beroemd evangelist waarschuwde ooit: “Er is evangelisch smeersel nodig om orthodoxie te laten werken." De Sandemanniaanse beweging legde de nadruk op orthodoxie, maar het ontbrak hen aan het smeersel waarmee zij hun geloof aan andere mensen konden verkondigen, en zo verwelkte de beweging. Ware het niet hun beroemdste lid, Michael Faraday, dan zou deze beweging al lang volledig vergeten zijn. Onze moderne kerken moeten het zout uit hun zoutvaatje blijven schudden. Het aroma moet elk aspect van het leven, inclusief de wetenschap, van smaak voorzien. Zout kan bijten, maar er gebeuren slechte dingen als dit het ontbrekende ingrediënt is.


1 The Great Scientists: the story of Science told through the lives of twelve landmark figures, Jack Meadows (Oxford 1989), hoofdstuk 7. Dit boek heeft een heel hoofdstuk over Faraday. Het is niet alleen de moeite waard vanwege de gedetailleerde informatie, maar ook voor de vele illustraties, zeldzame foto’s en tijdbalken. Meadows lijkt de christelijke invloed op de wetenschap op een eerlijke manier te benaderen en heeft een pagina over non-conformistische protestantse wetenschappers. [Terug naar de tekst]

2 Bibliografie, George Mulfinger en Julia Mulfinger Orozco, Christian Men of Science: Eleven Men Who Changed the World (Ambassador Emerald International, 2001), hoofdstuk 4. [Terug naar de tekst]

Het Institute of Electrical and Electronic Engineers (IEEE) heeft een artikel van Robert D. Friedel met de titel “Lines and Waves". Dit artikel verhaalt over de levens en de ontdekkingen van zowel Faraday als Maxwell.

Bezoek de Royal Institution of Great Britain waar Michael Faraday zijn ontdekkingen deed en waar de Kerstlezingen die gestart werden door Faraday nog steeds worden voortgezet. De RI heeft ook een pagina over Faraday met een biografie, een samenvatting van zijn correspondentie en een fotogalerie van apparaten die door Faraday gebruikt werden. Er is zelfs een pagina met een interactief laboratorium.

Lees Faradays eigen woorden: Hier zijn zijn lezingen over de krachten van materie uit 1859 en zijn beroemde kerslezing “De scheikundige geschiedenis van een kaars".

Een korte geschiedenis van de Sandemanniaanse kerk kan op Wikipedia gevonden worden.