6.6. Micromutaties en lange tijdsperioden

Vanwege het gebrek aan bewijs voor grote, bruikbare mutaties hebben de meeste evolutionisten hun toevlucht gezocht bij de micro-evolutie. Men postuleert dat veranderingen op minuscule schaal plaatsvinden en dan enige tijd later gevolgd worden door andere kleine veranderingen. Uiteindelijk, zo gaat het verhaal, ontstaat er dan een compleet nieuw orgaan of nieuwe functie, misschien zelfs een nieuw dier of een nieuwe plantensoort. Natuurlijk moeten deze veranderingen zich uiteindelijk verspreiden over een hele populatie of genenpoel. Een ander evolutionistisch beginsel heeft betrekking op geografische isolatie van de onveranderde groep, zodat "gemengde huwelijken" de nieuw verworven kenmerken niet zullen verwateren of ongedaan maken.

Een dergelijk ontwikkelingsproces vraagt om lange tijdsperioden. Zelfs als je de geologische tijdschaal accepteert, zonder welke de evolutionisten reddeloos verloren zouden zijn, is dit een probleem.

Terwijl het organisme wacht op een specifieke willekeurige mutatie om het veronderstelde lange proces van de ontwikkeling van een nieuw orgaan voorwaarts te helpen, is er immers geen enkele manier om alle andere kenmerken van het organisme stabiel te houden. Al deze andere kenmerken zouden onderhevig zijn aan mutaties die hoogst waarschijnlijk dodelijk of schadelijk zijn. Enige werkelijk gunstige evolutie wordt door de kanswetten uitgesloten.

Het gepostuleerde kleine begin van nieuwe organen zou in de meeste gevallen niet nuttig zijn voor het organisme en het alleen maar in de weg staan, bijvoorbeeld het vleugelmembraan van een vleermuis. Zolang er geen voordeel geboden wordt, zou dit orgaan slechts een belemmering zijn totdat het functioneel compleet is. Bovendien is er geen enkel echt bewijs dat dergelijke veranderingen ooit beginnen. Geen enkel organisme evolueert nieuwe types organen of nieuwe functies die niet reeds in de soort bestonden.

Volgende pagina