6.3. Mutaties kunnen het evolutieproces niet verklaren

Mutaties zijn tegenwoordig het enige mechanisme waarop door de meeste Amerikaanse evolutionisten wordt vertrouwd. Prominent evolutievoorstander George Gaylord Simpson schrijft samen met mede-auteur William S. Beck:

"Mutaties zijn inderdaad de uiteindelijke bron van al het nieuwe genetische materiaal, wat vervolgens in het proces van seksuele voortplanting eindeloos door elkaar wordt geschud. In de uiteindelijke analyse is elke evolutionaire verandering afhankelijk van mutaties... Het vermogen om te muteren is een van de universele en ultieme kenmerken van leven, en de hele organische evolutie is ervan afhankelijk." [1]

Mutaties zijn toevallige veranderingen in de DNA-boodschap die erfelijk zijn. Dergelijke veranderingen dragen afwijkingen over aan nakomelingen, zoals kleurenblindheid of suikerziekte. Men veronderstelt dat mutaties vooral veroorzaakt worden door beschadigingen en kopiëerfouten in het proces van DNA-replicatie.

Denk nu eens na over die laatste zin. Het nieuwe materiaal waarop het evolutieproces moet voortbouwen, ontstaat voornamelijk door ongelukken en fouten. Is het niet vreemd dat de enorme verzameling van verbazingwekkend effectieve en complexe levende organismen zich door willekeurige negatieve invloeden zou kunnen hebben ontwikkeld? André de Cayeux gebruikt de volgende vernietigende metafoor tegen mutaties: "Het bestaan van een sonate kan niet verklaard worden aan de hand van een reeks foute muzieknoten." Hij gaat hier als volgt verder op in:

"We weten dat de grote meerderheid van mutaties schadelijk zijn. We kunnen hier voorbeelden van zien in ons eigen lichaam, of op zijn minst in de lichamen van andere mensen. De meeste erfelijke defecten hebben hierin hun oorsprong. Het is dus paradoxaal wanner de evolutie en de vooruitgang van leven door de tijd verklaard wordt aan de hand van een proces waarin defecten en imperfecties dominant zijn. Het alternatief van selectie mag de pijn van de paradox wel enigszins verzachten, maar kan het deze uit de weg ruimen?" [2]

John C. Kendrew, wetenschapper aan de universiteit van Cambridge, Nobelprijswinnaar vanwege zijn ontdekking van de structuur van het eiwit myoglobine, noemt mutaties "drukfouten". Hij schreef:

"Net als in een echt boek is het waarschijnlijker dat drukfouten nonsense produceren dan iets zinnigs. Mutaties zullen dus bijna altijd schadelijk zijn. Sterker nog, zij zullen het organisme of de cel bijna altijd doden, en dat vaak in een zo vroeg stadium dat we ons niet eens realiseren dat het ooit heeft bestaan." [3]

Hij noemt ontwikkeling via mutaties een "willekeurig proces". De enige rechtvaardiging die hij geeft voor het idee dat mutaties het mechanisme van het evolutieproces zijn, is dat het "al meer dan vijfhonderd miljoen jaar" aan het werk is geweest. Enkelen verviervoudigen dat tot twee of zelfs drie miljard jaar. In dit verband kunnen we opmerken dat het toeval zesenveertig triljoen keer zo veel tijd nodig zou hebben [4] om niets meer dan de zinsnede "The Theory of Evolution" te spellen, als er een miljard pogingen per seconde plaatsvinden met de snelheid van het licht.

De cel is een uitzonderlijk precies aangepast functioneel mechanisme. Hier volgt een van de gebruikelijke beschrijvingen die wetenschappers geven, dit keer van Simpson en Beck:

"Organismen zijn de ingewikkeldste systemen die er bestaan, veel gecompliceerder en geraffineerder dan zelfs de meest geavanceerde electronische computers, detectie- en controlesystemen of automatische fabrieken die tot nu toe door de mens zijn gebouwd. Organismen produceren kopieën van zichzelf... uitzonderlijk complexe systemen." [5]

Mutaties kunnen veroorzaakt worden door bepaalde chemicaliën, hitte, ultraviolet licht en kosmische- of andere straling. Een mutatie in zo’n gecompliceerd systeem, veroorzaakt door bijvoorbeeld ioniserende straling, is vergelijkbaar met de gevolgen van een geweerschot op een computer of op het instrumentenpaneel van een straalvliegtuig. Een verbetering verwachten uit zo’n verstorende invloed is op zijn zachtst gezegd optimistisch te noemen.

Maar nu en dan treedt er een zeldzame mutatie op die tot een verbetering lijkt te leiden. Misschien bestaat er bijvoorbeeld wel een graansoort met zwakke halmen die in een sterke wind omlaag worden geblazen. Een wetenschapper zou dan in een van deze graankorrels een ontworpen mutatie kunnen verwerken, wat zou kunnen leiden tot een graansoort met sterkere halmen. Deze "verbetering" zou dan een valse indruk kunnen wekken. Er zouden nu bijvoorbeeld andere zwakheden kunnen zijn geïntroduceerd, waardoor deze soort in de natuur toch niet zou kunnen overleven. Bovendien is gebleken dat sommige mutaties slechts correcties zijn van eerdere schadelijke mutaties. Thomas H. Jukes schreef bijvoorbeeld over een geval waarin "een mutagenische chemische stof zeven verschillende veranderingen in een drietal codes teweegbracht wanneer deze aan een bacteriecultuur werd toegevoegd, waarbij elke verandering het voortbestaan van de bacterie bevorderde door de functie van een defect gen te herstellen." [6]

Evolutionisten komen feitelijk in de problemen wanneer hen gevraagd wordt om mutaties op te noemen die werkelijk in de natuur hebben plaatsgevonden en een rol hebben gespeeld bij een werkelijke verbetering. De meeste mutaties hebben zwakheden en afwijkingen geproduceerd – bloedarmoede, mentale achterlijkheid, klompvoeten, neigingen tot hernia’s en andere negatieve veranderingen. Enkele andere hielden alleen maar een terugkeer in naar een eerdere betere toestand. "Toeval biedt het ruwe materiaal aan waar natuurlijke selectie op kan inwerken," zegt Adler. [7] Maar we hebben eerder al gezien dat het toeval niet in staat is om een geordend resultaat of bruikbaar ruw materiaal voort te brengen.

Volgende pagina


1 George G. Simpson en William S. Beck, "Life: An Introduction to Biology", Shorter Edition (New York: Harcourt, Brace & World, 1969), p. 143. [Terug naar de tekst]

2 de Cayeux, "Three Billion Years", p. 200. [Terug naar de tekst]

3 John C. Kendrew, "The Thread of Life" (Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1966), pp. 106, 107. [Terug naar de tekst]

4 Meer dan zesenveertig keer drie miljard jaar. Dit werd berekend uit de getallen die in hoofdstuk 3 werden verkregen. [Terug naar de tekst]

5 Simpson en Beck, "Life", p. 132. [Terug naar de tekst]

6 Thomas H. Jukes, "Molecules and Evolution" (New York: Columbia University Press, 1966), voorwoord.

Dergelijke omgekeerde mutaties zijn in laboratoriumwerk met bacteriën heel gewoon (Roger Y. Stanier, Michael Doudoroff, en Edward A. Adelberg, "The Microbial World", 3e editie [Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall, Inc., 1970], pp. 471, 472). Dit is ongetwijfeld het gevolg van hun zeer snelle vermenigvuldigingssnelheid.

Deze auteurs bespreken ook de waarschijnlijkheid dat veel "goede" mutaties, die in experimenten met bacteriën voorkomen, het voortbestaan van hun dragers in de natuur onmogelijk maken: "Door zich aan te passen aan het bestaan in media in laboratoria, kunnen organismen genetische modificaties ondergaan die in een competitieve omgeving tot hun versnelde ondergang zouden leiden" (p. 478).

Om dit principe beter te kunnen begrijpen, kunnen we ons de volgende extreme, maar vergelijkbare situatie voorstellen: een mens die door een mutatie immuun is voor voetschimmel (wat goed is) omdat hij geen voeten heeft (wat slecht is voor het hele organisme behalve in de meest kunstmatige situaties). Een werkelijk bestaande goede/slechte mutatie maakt de drager immuun voor sommige vormen van malaria, maar maakt ze vatbaarder voor sikkelcelziekte. [Terug naar de tekst]

7 Irving Adler, "Probability and Statistics for Everyman" (New York: John Day Co., 1963), p. 239. [Terug naar de tekst]