6.4. Mutaties produceren geen nieuwe eigenschappen

Geneticus Bolton Davidheiser schrijft: "Als een gen muteert, produceert het een alternatieve vorm van de structuur of toestand die het vóór de mutatie produceerde. Als een gen voor de vorming van een vleugel muteert, dan zal het een andere vleugelvorm produceren, en niet een oogkleur." [1]

Er is nooit een nieuw orgaantype ontstaan dat de betreffende soort niet had vóórdat de mutatie plaatsvond. Mutaties leiden er niet toe dat een vleugel aan een koe wordt toegevoegd, of een ruggegraat aan een worm of een nieuw enzym aan een cel, hoewel defecte enzymen soms door omgekeerde mutaties gerepareerd worden. Het meest gebruikte voorbeeld van een "goede" mutatie gaat slechts over de kleur van een bepaalde mottensoort in Engeland – die veranderde van licht naar donker!

Maar geen enkele aanpassing heeft ook maar iets te maken met een verandering van de ene levenssoort in een andere. Evolutionisten noemen enkele plausibel klinkende ontwikkelingen die misschien lijken op een lange, progressieve verandering in een soort. Maar wanneer het bewijs zorgvuldig onderzocht wordt, valt het verhaal in duigen. Een voorbeeld hiervan is de veronderstelde evolutie van het paard, die we later zullen bespreken.

De fruitvlieg, drosophila melanogaster, werd jarenlang in laboratoria aan straling onderworpen om de hierdoor veroorzaakte mutaties te onderzoeken. Geen enkele van de resultaten – veranderingen in oogkleur, misvormde vleugels, of andere groteske afwijkingen – gaf enige indicatie dat er een evolutionaire progressie naar een nieuw soort insect had plaatsgevonden. Zoals Davidheiser in een uitstekende studie over dit onderwerp opmerkt, is de reden dat mutaties nog steeds worden gebruikt als evolutionistische verklaring de volgende: er is niets beters voorhanden! Er werd veel ophef gemaakt over de verschillen in de snavels van de vinken op de Galapagos Eilanden, die door Charles Darwins studie beroemd werden (er moet op gewezen worden dat Darwin hieraan eerst kennelijk niet veel waarde wilde hechten, omdat de vinken niet in zijn dagboek werden genoemd, en zijn eerste editie van "De reis van de Beagle" bevat hierover alleen maar een korte opmerking). [2] Deze en vergelijkbare, aanpassingen zijn blijkbaar slechts minieme aanpassingen binnen de soort, zoals verwacht zou kunnen worden in een ontworpen toestand of een bijzondere schepping. Moderne genetici proberen te verklaren hoe deze aanpassingen zouden kunnen plaatsvinden. Eldon J. Gardner, van de University of Utah, schrijft: "In wezen gaat het dus om een bereik waarbinnen veranderingen kunnen plaatsvinden, en dat bereik is erfelijk…" [3]

Wetenschappers stellen te veel vertrouwen in mutaties, net zoals zij te veel vertrouwen stellen in natuurlijke selectie. Een wetenschapper die zijn filosofie aangaande de oorsprong en ontwikkeling van het leven afhankelijk maakt van mutaties en natuurlijke selectie kan vergeleken worden met een man die een kraai heeft geleerd om bepaalde woorden te zeggen. In zijn enthousiasme overschat hij zijn prestatie: hij denkt dat de kraai nu vergelijkbaar is met een receptioniste of een telefoniste. Net als evolutionisten die vertrouwen op natuurlijke selectie, verwacht hij iets wat buiten de vermogens van de kraai ligt.

Fred John Meldau benadrukt in zijn voortreffelijke boek "Why We Believe in Creation, Not in Evolution" ("Waarom we in de schepping geloven, en niet in evolutie") het principe "wel mutaties, maar geen transmutaties." [4] Alle veranderingen blijven binnen de soort. Dit is in volledige overeenstemming met de vaak herhaalde wet in Genesis 1 dat levende wezens zich voortplanten "naar hun soort".

Ondanks de beperkingen van mutaties worden ze nog steeds door veel mensen omarmd als de enige hoop die zij hebben. Kijk maar eens naar de volgende uitspraak: "Mutaties liggen ten grondslag aan genetische variabiliteit, en zij zijn dus uiteindelijk verantwoordelijk voor de evolutie van alle tegenwoordige levensvormen." [5] Bekijk de volgende opmerkelijke uitspraken eens uit de "Encyclopaedia Britannica": "Natuurlijke selectie heeft mutaties gebruikt om goed geïntegreerde organismen op te bouwen. Nieuwe mutaties zullen deze balans waarschijnlijk doen kantelen en zijn daarom meestal schadelijk of dodelijk." [6]

Volgende pagina


1 Bolton Davidheiser, "Evolution and Christian Faith" (Nutley, N.J.: Presbyterian and Reformed Publishing Co., 1969), p. 212. [Terug naar de tekst]

2 David Lack, ""Darwin’s Finches"", Scientific American, Vol.188 (april 1953), p.67. [Terug naar de tekst]

3 Eldon J. Gardner, "Principles of Genetics" (New York: John Wiley & Sons, Inc., 1972), p. 358.

Aanpassing van dieren van dezelfde soort aan verschillende omgevingen is welbekend. Soorten die in warme klimaten kort haar hebben kunnen langer haar hebben in koude klimaten.

Een Noord-Amerikaanse hazensoort (‘snowshoe rabbit’ of ‘varying hare’ genoemd) verandert van kleur tussen de winter en de zomer. Een plan van een Schepper zou ongetwijfeld voorzien in een methode voor zulke veranderingen binnen een soort. Dit zou wellicht verband kunnen houden met omgevingsfactoren die de juiste genen tot actie aanzetten en het benodigde resultaat opleveren door deze aan te schakelen. We kunnen speculeren dat dit mogelijkerwijs ook gedaan zou kunnen worden door veranderingen in het dieet of misschien zelfs door grote gedragsveranderingen. Dergelijke veranderingen zouden slechts gebruik maken van reeds bestaande genen die zich voorheen in een sluimertoestand bevonden, of "uit" stonden. Mechanismen voor zo’n stimulans van "slapende" genen zijn op het cellulaire niveau bekend.

Hoewel de volgende uitspraken van Professor Gardner niet noodzakelijkerwijs bedoeld zijn om tot dergelijke conclusies te leiden, zouden ze een basis kunnen geven voor de voorgaande hypothese om het aanpassingsvermogen te verklaren:

"We weten dat omgevingsfactoren op elk punt van het ontwikkelingsproces nauw verweven zijn met erfelijkheidsmechanismen" (idem, p. 357). "Maar kwantitatieve eigenschappen worden zowel door de omgeving als door erfelijke factoren beïnvloed" (p. 367). "De erfelijkheid van kwantitatieve eigenschappen hangt af van de cumulatieve actie van verscheidene of vele genen, waarvan elke een klein gedeelte van het totale effect produceert. Dit staat in schril contrast met de erfelijkheid van kwalitatieve eigenschappen, wat een "alles-of-één" fenomeen is: het is of afhankelijk van één enkel gen of van een klein aantal genen met een onderlinge wisselwerking. Een belangrijke overweging in de erfelijkheidsstudies van kwantitatieve eigenschappen is dat de omgevingsfactoren ook een effect hebben op de eindprodukten zoals hoogte, gewicht en kleurintensiteit" (p. 119). Dit zou de variaties in de snavels van Darwins vinken kunnen verklaren. [Terug naar de tekst]

4 Fred John Meldau, "Why We Believe in Creation, Not in Evolution" (Denver: Christian Victory Publishing Co., 1959), p. 19. [Terug naar de tekst]

5 Björn Sigurbjörnsson, "Induced Mutations in Plants", Scientific American (januari 1971), p. 87.

Men zou kunnen vermoeden dat een groot aantal veranderingen per ongeluk aan mutaties zijn toegeschreven, terwijl ze helemaal niet genetisch van aard waren. Auteurs van een studie over variatie in de Hawaiiaanse hagedis namen in 1973 de volgende suggestie op in hun rapport: "Misschien is heterogeniteit in de omgeving een zeer belangrijke oorzaak geweest van variatie in sommige morfologische kenmerken" (M. E. Soule, et al., "Island Lizards: the Genetic-Phenetic Variation Correlation", Nature, Vol. 242 [16 maart 1973], pp. 191-193). Overeenkomstig de hypothese die iets eerder in voetnoot 3 werd uitgelegd, kunnen sommige van deze uiterlijke variaties het gevolg zijn van de activatie van bestaande genen door prikkels uit de omgeving. Sommige mechanismen voor een dergelijke regulering zullen in hoofdstuk 10 worden beschreven. [Terug naar de tekst]

6 Encyclopaedia Britannica (1967), zie "mutations." [Terug naar de tekst]