6.8. Natuurlijke selectie is machteloos zonder duplicatieproces

De meest onmogelijke stap die in de evolutieleer vereist is, is de stap van niet-levende materie tot levende organismen. Een groot aantal evolutionisten is pienter genoeg om zich te realiseren dat het waanzinnig is om aan te nemen dat dit op één moment toevallig gebeurde. Het bleek noodzakelijk om op zoek te gaan naar een proces dat leidt van het domein van niet-leven tot volledig functionerende levende cellen. Communistisch bioloog A. I. Oparin zette hiertoe de eerste stap. Honderden wetenschappers volgden in zijn voetsporen en besteedden een enorme hoeveelheid onderzoekstijd aan dit probleem. Oparin moest hiertoe de hulp inroepen van het favoriete werkpaard van de evolutionisten: natuurlijke selectie. Dit proces zou dan al in werking moeten zijn lang voordat deze "protobiont" of "proto-cel" ook maar in de buurt komt van een aanpassing in een levend systeem. [1] Hij neemt aan dat samengeklonterde groepjes (niet-levende) moleculen "geselecteerd" worden; de betere krijgen meer van de voorraad "voedsel". Klonters met de "beste" willekeurige moleculen, opgebouwd uit aminozuren, zouden dan aanwassen.

Oparin was op zoek naar een mechanisme waarmee aminozuren zich op natuurlijke wijze in grote aantallen zouden kunnen vormen. Zoals we eerder al zagen, vereist dit mechanisme de aanname dat de "primitieve atmosfeer" er heel anders uitzag dan onze huidige atmosfeer. Volgens Oparin zouden enkele van deze "klonters" minerale zouten kunnen bevatten, die als zwakke katalysatoren de natuurlijke reacties in gang zouden kunnen zetten. Dit zou dan een voordeel opleveren in de strijd om het bestaan. Er wordt niet uitgelegd waarom een niet-levende klonter moleculen ook maar een strijd zou willen leveren. Na verloop van tijd valt de groeiende klonter, of "coacervaat", uiteen in twee stukken door de inwerking van straling of andere toevallige invloeden. Verondersteld wordt dat hieruit dan twee "goede" moleculen zouden voortkomen. Oparin concludeert vervolgens dat dit een primitief duplicatieproces zou zijn. Maar is dat werkelijk het geval?

Wanneer de klonter zich splitst, zullen de twee delen van elkaar verschillen, omdat het origineel geen twee exacte kopieën zou kunnen maken van alles wat zich er in bevindt. Laten we veronderstellen dat de klonter daadwerkelijk katalytische minerale zouten zou bevatten en zo een voordeel zou hebben. Zodra de splitsing optreedt, zouden beide "nakomelingen slechts de helft van deze zouten bevatten en mogelijk enkele ingrediënten van de "moederklonter" helemaal niet hebben. [2] Er zou geen manier zijn om deze katalysatoren in de nieuwe klonters te dupliceren.

Zonder een manier om exacte kopieën van alle componenten te maken, betekent dit het einde van de rit. Vroeger of later zal er iets zijn wat een eind maakt aan die klonter met zijn betere moleculen. Omdat deze klonter zich niet kan vermenigvuldigen en niet in staat is om al zijn onderdelen te dupliceren, zal natuurlijke selectie geen enkele kans hebben om voortgaande verbeteringen door te voeren.

Selectie is afhankelijk van een continue voorraad van verbeterde variaties. Wanneer er slechts één kopie van elke variatie bestaat, dan heeft deze geen toekomst, zelfs niet als deze "geselecteerd" wordt. Hij kan niet zorgen voor "nageslacht" dat precies is zoals hijzelf. Natuurlijke selectie kan hierbij logischerwijs geen enkele rol spelen, zelfs al zou dat proces in staat zijn om evolutie in werkelijk levende organismen tot stand te brengen.

Professor John Keosian gaf aan dat veel wetenschappers zich ervan bewust zijn dat natuurlijke selectie geen enkele rol heeft kunnen spelen voordat het leven al bestond. Hij zei:

"Tot afgrijzen van sommige biologen wordt de term natuurlijke selectie vrijelijk gebruikt voor het proces dat zou kunnen hebben plaatsgevonden waardoor het ene type molecule de overhand zou kunnen hebben gekregen over een ander mogelijk type, of het proces waardoor een niet-levend macromoleculair systeem met toenemende complexiteit zou kunnen uitgroeien." [3]

Wanneer een gecompliceerd codesysteem zoals DNA ontbreekt, lijkt een nauwkeurige duplicatie onmogelijk. Evolutionisten die serieus proberen om de spontane oorsprong van het leven te verklaren, zullen soms op een heel vage manier zeggen dat eiwitten als sjablonen of patronen dienen, waarmee kopieën zouden kunnen worden gevormd. Er is geen enkele manier gevonden waarop zoiets daadwerkelijk zou kunnen plaatsvinden. Theodosius Dobzhansky, een zeer bekend bioloog aan de Rockefeller University in New York, verwoordde het volgende niet te ontkennen beginsel: "Natuurlijke selectie kan alleen maar werken als er reproductie plaatsvinden, en reproductie is de kenmerkende eigenschap van levende organismen." [4] We kunnen daarom concluderen dat natuurlijke selectie onmogelijk was tijdens de vermeende natuurlijke oorsprong van het leven.

Volgende pagina


1 A. I. Oparin, "Genesis and Evolutionary Development of Life" (New York: Academic Press, 1968), p. 130. [Terug naar de tekst]

2 Als alle klonters deze katalytische zouten zouden bevatten, dan zouden ze allemaal hetzelfde zijn en zou er geen selectie kunnen optreden. Als enkele, maar niet alle, klonters een dergelijk voordeel (bijv. een betere katalysator) zouden hebben, dan zou er geen voortgaande vooruitgang kunnen zijn zonder een nauwkeurig duplicatieproces. Elke "betere" molecule zou dan een doodlopende straat zijn. Als we zouden postuleren dat de klonters fortuinlijk genoeg zouden zijn om deze katalytische zouten te hebben en zo een monopolie zouden hebben op de "voedselvoorraad", dan leidt dit nog steeds niet tot een intrinsieke verbetering, maar is nog steeds volledig afhankelijk van externe condities. [Terug naar de tekst]

3 John Keosian, "The Origin of Life" (New York: Reinhold Publishing Corp., 1964), p. 89. [Terug naar de tekst]

4 Theodosius Dobzhansky, "The Biology of Ultimate Concern" (New York: New American Library, 1967), p. 48 (Dobzhansky is een evolutionist, maar spreekt zich uit tegen het onzorgvuldige gebruik van de term "natuurlijke selectie" wanneer deze wordt toegepast op de tijd vóórdat het leven begon). [Terug naar de tekst]