1.4. De oorsprong van de wetenschap: botsende levensbeschouwingen

Er zijn al veel academische werken geschreven over de filosofische oorsprong van de wetenschap. Om door te kunnen gaan met de biografieën, zullen we eerst kort op dit onderwerp ingaan en enkele links bieden voor vervolgstudies over dit interessante onderwerp. Laten we hier volstaan met te zeggen dat zelfs seculiere schrijvers geconcludeerd hebben dat alleen de christelijke levensbeschouwing, in tegenstelling tot de wereldbeelden van andere godsdiensten of culturen, erin is geslaagd om werkelijk moderne wetenschap voort te brengen - een duurzame, zelfcorrigerende zoektocht naar natuurkundige kennis omwille van de natuurkundige kennis, daarbij gebruik makend van de wetenschappelijke methode die bestaat uit inductie, waarnemingen, het verzamelen van data, het formuleren van hypothesen, het bevestigen of weerleggen hiervan middels experimenten, het doen van voorspellingen en het verzamelen van hypothesen in theorieën, algemene principes en wetten. We vinden deze ideeën tegenwoordig vanzelfsprekend en logisch, maar ze hebben onderliggende aannames over de aard van de werkelijkheid die heel anders zijn dan die van een groot aantal culturen over de hele wereld. Jouw levensbeschouwing bestaat uit jouw aannames over de aard van de werkelijkheid.

Wat wordt er bedoeld met een levensbeschouwing? Het is jouw antwoord op de belangrijke vragen in het leven: Wie ben ik? Hoe ben ik hier terechtgekomen? Wat zou ik moeten doen? Waar ga ik naartoe? Het christelijke antwoord is duidelijk uit de Bijbel: wij zijn geschapen naar de gelijkenis van God, een oneindig, persoonlijk, transcendent, eeuwig Wezen dat het heelal en alles wat zich daarin bevindt heeft geschapen. Wij leven om Hem te aanbidden en om van Hem te genieten. Wij zijn tot zonde vervallen en leven in een wereld die tegelijkertijd Gods goedheid en wijsheid, maar ook zijn vloek over de zonde aan de dag legt. We zijn op weg naar de hemel of naar de hel, afhankelijk van wat wij doen met de door Hem aangeboden verlossing. Maar wat hebben deze overtuigingen dan met wetenschap te maken, vraag je? Een heleboel!

Laten we, om te zien hoe "pro-wetenschap" de houding van het christendom is, en hoe "anti-wetenschap" de houding van heidense culturen kan zijn, hun aannames over de verschillende aspecten van de werkelijkheid eens met elkaar vergelijken.

    Noot: wij gebruiken de term "heidens" niet in een neerbuigende zin, maar in de generische betekenis van "niet-christelijk". We bedoelen hier geen specifieke cultuur mee; "heidens" is slechts een vergaarbak om de levensbeschouwingen aan te duiden die fundamenteel anders zijn dan het Judeo-christendom. Specifieke culturen zullen, uiteraard, op heel verschillende manieren aansluiten op deze aannames, en ook verschillen wat betreft hun mate van wetenschappelijk denken.

God

Heidense ideeën over God variëren van geen God (atheïsme) tot vele goden (polytheïsme) tot "alles is God en God is alles" (pantheïsme). Welk idee van God ondersteunt de werkelijkheid? Als er geen God is, dan zijn het leven en het bestaan fundamenteel irrationeel. Zij komen voort uit chaos en eindigen in de warmtedood van het heelal. Maar als alles God is, dan is niets God, en dan heb je hetzelfde probleem: goed en kwaad zijn keerzijden van dezelfde munt en het heelal is, wederom, irrationeel. Als er vele goden zijn (van dualisme tot polytheïsme), dan bestaan goed en kwaad zij aan zij eeuwig. Zij zijn dan beide even geldig en even zinloos. In de meeste polytheïstische culturen zijn de goden meestal met elkaar in oorlog; het menselijke leven is een ijdele poging om díe god te behagen die op een bepaald moment de grootste bedreiging lijkt te vormen. In ons betoog zal het steeds duidelijker worden waarom deze ideeën over God schadelijk voor de wetenschap zijn. Als het heelal fundamenteel irrationeel is, om welke reden dan ook, dan is het irrationeel voor de mens om te proberen het te begrijpen.

De christelijke God daarentegen is rationeel. Hij heeft de eigenschappen van persoonlijkheid, almacht, alomtegenwoordigheid, eeuwigheid en onveranderlijkheid. Bovendien heeft Hij de morele eigenschappen van waarheid, rechtschapenheid, heiligheid, wijsheid, liefde, gerechtigheid, genade, erbarmen en goedheid. Hij is oppermachtig, maar niet wispelturig - Hij kan alles doen behalve dingen die tegen zijn eigen natuur ingaan, zoals zijn rationaliteit (dat is waarom Hij nooit een steen zou scheppen die Hij Zelf niet zou kunnen tillen, om een populair, maar naïef raadsel van de scepticus te beantwoorden). Hij is een Drie-eenheid, één God in drie Personen, waardoor er al vanaf het begin zowel eenheid als verscheidenheid bestond. Hij is creatief en zelfvoorzienend; Hij heeft het niet nodig om iets te scheppen. Maar het belangrijkste is dat Hij transcendent is: Hij is niet-geschapen en eeuwig; Hij is overal aanwezig, maar is toch onafhankelijk van het heelal dat Hij heeft geschapen - Hij is anders dan de natuur. Tenslotte is Hij de Wetgever, wat betekent dat zijn heerschappij overeenstemt met de morele wet en de natuurwet. Het christelijke idee van God ondersteunt dus de wetenschappelijke gedachte, omdat rationaliteit, orde, logica, rede, waarheid, wetmatigheid, eenheid, diversiteit, persoonlijkheid en doelgerichtheid in het weefsel van het heelal zijn ingebouwd, en wel omdat zij zijn voortgekomen uit de gedachten van een Wezen dat gekarakteriseerd wordt door deze eigenschappen.

    Wij erkennen dat veel niet-christelijke culturen magnifieke culturele prestaties hebben geleverd, met name op het gebied van wiskunde, engineering, architectuur, logica en filosofie. De Grieken zijn een vermeldenswaardig voorbeeld. Maar historici zijn het er in het algemeen over eens dat de verschillende Griekse ideeën over God - polytheïsme, atheïsme of pantheïsme - een hindernis vormden voor werkelijk "moderne" wetenschap zoals hierboven beschreven, waardoor de Griekse wetenschap een snelle dood stierf. De Griekse denkers verheerlijkten het denken van de mens en vonden het uitvoeren van experimenten beneden hun stand. Met uitzondering van enkele notabele uitzonderingen was de Griekse "wetenschap" deductief, niet inductief; het was een poging om de natuur van de dingen enkel en alleen met de rede te ontrafelen. Voor de christen is dat een oefening in nutteloosheid, omdat de gedachten van de mens verdorven zijn door de zonde. Rationaliteit moet bij God beginnen en, zoals Kepler zei, we kunnen alleen slagen als we proberen om met een vernieuwde gezindheid "achter Gods gedachten aan te denken".

    Het islamitische idee van God staat wellicht het dichtst bij de christelijke kijk. Het is interessant om op te merken dat enkele van de grootste vooruitgangen in de middeleeuwse wetenschap, vooral op het gebied van wiskunde, geneeskunde en scheikunde, van de hand van moslims kwamen. Maar de islamitische wetenschap wist zich nooit te ontwikkelen tot een duurzame onderneming, deels vanwege het islamitische idee van God. Net als de christelijke God is Allah oppermachtig en almachtig, maar de Koran legt zó'n zware nadruk op zijn oppermacht dat het afbreuk doet aan zijn rationaliteit. De balans verschuift zo van een geloof in een regelmatig heelal dat bestudeerd kan worden naar onzekerheid over wat zijn volgende zet zal zijn. De verwijzingen aan het eind van deze pagina gaan hier dieper op in.

Natuur

Niet-christelijke overtuigingen over de natuur variëren van materialisme tot animisme: van het geloof dat de natuur niets meer is dan fysica en chemie tot het bijgeloof dat zij bezield wordt door geesten of zelfs denkbeeldig is - een illusie. Veel stammenculturen over de hele wereld geloven dat de natuur leeft en ademt met zielen, die begrepen moeten worden via de sjamaan. De natuurlijke godsdienst van de Amerikaanse indianen is in de Verenigde Staten bijvoorbeeld bijzonder populair tegenwoordig en wordt vaak met grote bekeringsijver in de nationale parken gepredikt. Met alle respect voor hun gevarieerde en kleurrijke culturele tradities, wat geloven de meeste indianen over de natuur? Dat er de geest van de prairiewolf is, en de geest van de bergen, de geest van de kraai en de geest van de beer, en dat wij op een "visioenzoektocht" moeten gaan om contact te maken met de geesten. Hoe aantrekkelijk dit ook mag klinken voor stedelingen en filmmakers die moe zijn van de rede, het staat haaks op de wetenschap. De natuurwetten kunnen niet bestaan, omdat de natuur geen mechanisme los van God is: het is een god en de wereld wordt geregeerd door magie, bezweringen en toverformules, niet door de natuurwetten. De natuur wordt begrepen aan de hand van het voorstellingsvermogen in plaats van de rede. Hoe meer een cultuur afhankelijk is van zijn sjamaan om de natuurgeesten te begrijpen, hoe minder zij geneigd is tot inductief experimenteren en de ontwikkeling van een wetenschappelijke kijk op het leven.

    Een Navajo boswachter legde uit dat het in hun cultuur taboe is voor kinderen om vragen te stellen. Wanneer de tijd ervoor is aangebroken, zo legde zij uit, zal de vader of de sjamaan het kind vertellen wat hij of zij moet geloven. Dit is autoritarisme; hetzelfde dogmatisme dat wetenschappers normaliter verafschuwen in georganiseerde godsdiensten. Goede wetenschapsleraren en ouders weten dat het gezond is om kinderen aan te moedigen om vragen te stellen en om nieuwsgierig te zijn aangaande de wereld om hen heen. In plaats van de irrationaliteit van stammenculturen te verheerlijken, zouden we moeten inzien dat deze arme zielen gevangen worden gehouden door hun machtige toverdokters die hen - met hun tradities - leren om niet na te denken en hen bang maken door hen leugens voor te houden. Deze charlatans, die vaak alleen maar zichzelf willen verrijken, geven hun mensen waardeloze toverdrankjes om ziekten te genezen waarvan de oorzaken en de geneeswijzen allang ontdekt zijn door wetenschappers als Pasteur, die miljoenen levens hebben gered door eeuwen van bijgeloof te overwinnen met de toepassing van de wetenschappelijke methode.

Aan het andere uiteinde van het spectrum moet de materialist het raadsel zien op te lossen dat door C.S. Lewis goed werd verwoord: als het heelal bestaat uit doelloze materie in beweging en mijn hersenen dus zijn opgebouwd uit gedachteloze atomen, dan heb ik geen objectief criterium op basis waarvan ik kan geloven dat mijn hersenen uit atomen bestaan. Tenslotte zou zelfs een korte overpeinzing duidelijk moeten maken dat het heelal zich niet leent voor een serieuze bestudering als ik geloof dat het heelal denkbeeldig is. Als ik geen verband kan leggen tussen mijn voorstellingsvermogen en het jouwe, of zelfs niet kan weten dat jij bestaat, hoe kan ik dan verwachten dat ik mijn bevindingen kan publiceren en begrepen kan worden? Het leven wordt dan geen speurtocht om de wereld te begrijpen, maar om haar te negeren en een soort nirwana of andere bewustzijnstoestand te bereiken.

De christen daarentegen heeft een balans tussen geest en materie. De natuur is niet God; zij is een mechanisme dat door God is geschapen. God is niet de natuur, en de natuur is niet God; het is de op goddelijke wijze geordende schepping van een volkomen wijs, almachtig Wezen, dat zijn ordelijkheid, wijsheid, creativiteit en rationaliteit weerspiegelt. Als we geloven dat God rationeel is en dat Hij op een wetmatige manier heerst, dan kunnen we verwachten dat er elegante natuurwetten aan de basis liggen van zijn handwerk. Wanneer we de natuur bestuderen, kunnen we dus leren om zijn wijsheid en waarheid te waarderen en te overpeinzen. De wetenschap wordt zo een heilige roeping, een manier om te aanbidden.

Die aanbidding is echter gericht tot God, niet de natuur zelf. De Bijbel leert ons dat de natuur door God vervloekt is vanwege de zonde. We zien een wereld met goed en kwaad, met schoonheid en pijn. Maar de Bijbel leert ons dat Hij in het begin alles wat Hij gemaakt had "zeer goed" noemde en dat ooit alles hersteld zal worden tot de oorspronkelijke perfectie. Dit betekent twee dingen voor de wetenschap: ten eerste dat het kwaad niet eeuwig is en ten tweede dat wij met behulp van de wetenschap kunnen hopen dat we enkele gevolgen van de vloek kunnen verzachten, zoals we in de geneeskunde hebben gedaan (zie Pasteur, Lister).

Fenomenen

Een bliksemstraal schiet naar beneden. Er vindt een overstroming plaats. Een komeet verschijnt aan de hemel en verdwijnt weer uit het oog. Een epidemie raast door het land. Wat is er gebeurd? In veel culturen denkt men dat de goden boos waren en tevreden moeten worden gesteld. De sjamaan kijkt naar een dierenlever, raadpleegt een horoscoop of offert een armzalige slaaf op het altaar. De rationele Grieken proberen het uit te leggen met de rede. De oosterse mystici noemen het karma. De atheïst gaat op zoek naar materiële oorzaken, maar heeft uiteindelijk geen referentiepunt waarmee hij iets "waar" kan noemen. Of hij vervalt in de drogreden van het reductionisme.

Maar, zo zullen sommigen beweren, christenen geloven in wonderen. Staat het Oude Testament niet vol met plagen en een zondvloed die veroorzaakt werden door een toornige God? Het zijn inderdaad wonderen, maar wonderen zijn zeldzaam. Als zij de norm zouden zijn, dan zouden zij "normalen" worden genoemd, niet "wonderen", en dan zouden de christenen én de Joden weinig verschillen van de animisten wat betreft hun geloof en praktijken. Wanneer je de Bijbelse wonderen nader bestudeert, zie je dat ze vooral opvallen door hun zeldzaamheid. Zij zijn geconcentreerd rond de levens van Mozes, enkele van de profeten, Jezus Christus en de twaalf apostelen. De uitzonderlijke zeldzaamheid van werkelijke natuurlijke wonderen diende het doel dat zij tekenen van God waren op bijzondere punten van zijn plan, zoals dat in de Bijbel wordt geopenbaard. Voor de meeste mensen in de Bijbelse wereld waren de natuurwetten hun hele leven lang de norm. God kan ingrijpen op basis van menselijke gebeden, en doet dat ook, maar Hij doet dat meestal door de normale loop van de natuurwetten te wijzigen, zoals een storm of een plaag rond de biddende dienaar te leiden. Geen enkele van deze overwegingen verandert de christelijke vooronderstelling van een heelal dat geregeerd wordt door natuurwetten.

    De drogreden van de "God van de gaten". Er zijn al veel christenen (en niet-christenen) geweest die onverklaarbare fenomenen te snel aan God hebben toegeschreven. Maar denk eens na over de vraag of de materialist in dezen zelf wel vrijuit mag gaan. Sommige fenomenen vertonen zúlke duidelijke sporen van een ontworpen systeem, zoals zelfs de eenvoudigste levende cel en de DNA-code, dat evolutionisten vaak eenzelfde drogreden gebruiken wanneer zij de herkomst van deze dingen willen verklaren. Zij kennen welhaast goddelijke machten toe aan natuurlijke selectie, een gedachteloos en doelloos principe, wat helemaal niets van doen heeft gehad met de herkomst van zowel de cel als de DNA-code. Dit grenst aan pantheïsme - het toekennen van intelligentie, doelgerichtheid en wil aan levenloze objecten. Of zij halen hun schouders op en verwijzen heel gelovig naar wat de wetenschap in de toekomst nog allemaal zal ontdekken (dat is dus hun religie). In beide gevallen leidt een vooringenomen toewijding aan het materialisme, vaak met een religieuze geestdrift die men van een vurige kerkganger zou verwachten, ertoe dat de gezworen atheïst het bewijs negeert dat God bestaat en een vergelijkbare drogreden gebruikt, namelijk het "pantheïsme van de gaten" of "het toekomstige succes van het materialisme van de gaten". De wetenschap zou zich moeten bezighouden met de zoektocht naar natuurlijke oorzaken voor de meeste hedendaagse, herhaalbare fenomenen, maar het verklaren van de herkomst van dingen bevindt zich op een heel ander vlak. En als er een God is, dan zouden verhoorde gebeden unieke, niet-herhaalbare gebeurtenissen zijn die niet onderwerpen kunnen worden aan wetenschappelijke proeven, in tegenstelling tot bliksem, vloedgolven, kometen en ziekten die al duizenden jaren worden waargenomen.

Tijd

Een ander idee dat dodelijk is voor het wetenschappelijke denken is het idee van cyclische tijd. Het geloof dat het heelal oneindige cycli ondergaat van geboorte, dood en regeneratie brengt fatalisme voort; wat heeft het voor zin als alles wat ik met hard werk heb opgebouwd weer vernietigd of ongedaan gemaakt zal worden en niemand het zich zal herinneren, alleen om weer opnieuw te worden opgebouwd door een andere ziel die geen idee heeft van mijn wereld en mijn werk? Culturen die in eeuwige cycli geloven hebben bovendien de neiging om oorzaken en gevolgen door elkaar te halen, waarmee een essentiële aanname van de wetenschap onderuit wordt gehaald. De materialist die verder denkt dan het heden moet toch wel wanhopen bij de gedachte aan de toekomstige warmtedood van het heelal, wanneer alle bewustzijn, al het werk en alle beloningen zullen ophouden te bestaan. Lord Kelvin zei: "We hebben de nuchtere wetenschappelijke zekerheid dat de hemel en de aarde 'zullen worden opgerold als een mantel'... Het vooruitzicht van het menselijke ras zou werkelijk duister zijn als het niet verlicht zou zijn door dat licht dat de 'nieuwe hemel en een nieuwe aarde' openbaart." Het is interessant dat recente kosmologische ontdekkingen een cyclisch heelal hebben uitgesloten, terwijl dit ooit een populair model was om het begin van het heelal weg te verklaren.

De joods-christelijke kosmologie is er een met lineaire tijd: schepping, geschiedenis en uiteindelijk de voleinding. Er was een eindig begin (wat moderne kosmologen met enige tegenzin toegeven) en de geschiedenis loopt naar een voleinding toe. Het is waar dat christenen geloven dat deze wereld en haar werken verbrand zullen worden, maar niet de ziel. Er zullen beloningen zijn voor de trouwe dienaars van God, en een nieuwe hemel en een nieuwe aarde van de hand van dezelfde Schepper die nooit verandert. Dit geeft ons de hoop dat onze levens er toe doen en dat wij ons nu meteen al kunnen bezighouden met een vreugdevolle onderneming - de wetenschap - waarvan we bovendien tot in de eeuwigheid kunnen genieten door de wonderbaarlijke werken van God te verkennen.

Kennis

De epistemologie (of kennistheorie, d.w.z. de bestudering van hoe we weten wat we weten) van een cultuur is een vrucht van haar theologie. In veel beschavingen in de geschiedenis was traditie de zetel van de kennis. Geloven wat de gezagsdragers zeggen, of wat de waarzeggers voorspellen, is iets wat de inwoners van de meeste samenlevingen - van jong tot oud - is ingeprent. Vaak gaat dat samen met het dreigement dat zelfstandig denken nare gevolgen zal hebben. Nieuwsgierigheid naar de wereld en hoe zij werkt is uit den boze, zelfs vandaag de dag in grote delen van de wereld. Helaas is dit ook onder joden en christenen vaak een probleem geweest. Jezus berispte de joodse leiders van zijn tijd voor hun slaafse toewijding aan tradities die tegen de openbaring van God ingingen. In de vroege kerk, die te maken had met eeuwenlange vervolging en vervolgens de politieke onrust tijdens de val van Rome, werd de ontdekking van de wetenschappelijke methode deels vertraagd door het ontstane dogmatisme van de kerkleiders en haar afhankelijkheid van heidense Griekse filosofen die beschouwd werden als experts op het gebied van logica en kennis van de natuur. Door de opkomst van de Griekse en islamitische filosofen zagen de scholastische filosofen van de middeleeuwen zich gedwongen om de Schrift te bestuderen en hun eigen overtuigingen nog eens onder de loep te nemen en begonnen zij - zoals we zullen zien - in te zien dat dergelijk menselijk gezag onnodig en in wezen waardeloos was, en zelfs een hindernis op de weg naar werkelijke kennis. Deze ontwikkeling leek de blokkade te doorbreken die de traditie had opgeworpen en de wetenschap weer terug te brengen naar haar Bijbelse, theologische wortels.

De Schriftuurlijke leer van wetenschap begint met de vrees voor God, die het begin van wijsheid is (Spreuken 1:7). God communiceert zaken aan ons via een natuurlijke openbaring (het geweten en de natuur zoals wij die met onze zintuigen waarnemen) en een bijzondere openbaring (de Schrift en Christus). Omdat God rationeel is, en omdat wij in een gedeelte van Zijn rationele natuur delen omdat we naar zijn gelijkenis zijn geschapen, en omdat de natuur beheerst wordt door natuurwetten die Hij heeft ontworpen, kan ieder van ons waarnemingen doen, data verzamelen, experimenteren en op een inductieve manier kennis vergaren over de natuurlijke wereld, zonder afhankelijk te hoeven zijn van traditie of gezag. Het is wellicht geen uitputtende kennis en niet vrij van menselijke fouten, maar zoals elk schoolkind in een wetenschapsquiz weet, kan de wetenschappelijke methode ons helpen om waarheid van onwaarheid aangaande natuurlijke fenomenen te onderscheiden, op zijn minst op die gebieden die onderworpen kunnen worden aan observatie en herhaalbare experimenten. Gewapend met de wetenschappelijke methode en een Bijbelse levensbeschouwing, geloofde Sir Isaac Newton dat hij bijdroeg aan de vervulling van de profetie in Daniël 12:4 over "het eind van de tijd": "Veel mensen zullen proberen het te begrijpen en zullen het onderzoeken. Ze zullen er steeds meer van gaan begrijpen."

    Thomas van Aquino maakte een grove fout die leidde tot de hedendaagse kloof tussen wetenschap en godsdienst, zo zegt Francis Schaeffer in zijn boek "Escape from Reason". Hij nam aan dat de geest van de mens tot zonde is vervallen, maar niet zijn denken. De implicatie was dat de onvernieuwde mens buiten de goddelijke openbaring om betrouwbare waarheden over het heelal zou kunnen ontdekken. Dat leidde tot de ongeldige dichotomie tussen natuurlijke kennis en geestelijke kennis. Het gevolg was dat nu de wetenschap gezien werd als een pad naar de hoogste waarheid, onafhankelijk van Gods genade, en nog erger, dat zaken aangaande geloof en geest volkomen losgekoppeld werden van de natuur, de geschiedenis, het tastbare en het rationele. In toenemende mate werd de natuur als superieur beschouwd ten opzichte van genade, of in Schaeffers woorden: de natuur had de genade opgeslokt. In veel kringen is het christendom tot in het extreme bovennatuurlijk geworden; het heeft niets meer te zeggen over of van doen met de natuurlijke wereld, terwijl de onvernieuwde wetenschap een steeds grotere suprematie opeist op alle gebieden die te maken hebben met natuurlijke kennis. Het eindresultaat wordt in onze tijd duidelijk: de wetenschap is een godsdienst geworden en heeft zich welhaast goddelijke eigenschappen aangemeten in haar streven om alles uit te leggen, zelfs de evolutie van godsdienst. Om te zien hoe extreem zij is geworden, hoef je maar na te denken over het feit dat sociaal wetenschappers tegenwoordig verkrachting en kindermoord routinematig beschrijven als een Darwinistisch overlevingsmechanisme, in plaats van een groot moreel kwaad. Christenen moeten herkennen dat het denken van de mens net zo zeer tot zonde is vervallen als zijn geest, en dat de natuurlijke mens weliswaar feiten kan verzamelen met zijn zintuigen, maar dat wij vernieuwde gedachten moeten hebben die bouwen op het fundament van Gods natuurlijke en bijzondere openbaring om deze feiten in hun context te kunnen begrijpen en ze in hun juiste relatie tot de realiteit te verwerken.

Technologie

Hoe bouwt een cultuur een beschaving? Het lijdt geen twijfel dat niet-christelijke culturen uitzonderlijke hoogten hebben bereikt op het gebied van kunst, architectuur en technologie; je hoeft maar te kijken naar de Taj Mahal, Angkor Wat, de Grote Piramide, de observatoriums van de Maya's, het Parthenon, enzovoorts. Maar, deze zijn niet de vruchten van de wetenschap. Logistiek, pragmatisme, trial-and-error en politiek kunnen een grote invloed hebben wanneer mensen dingen proberen te doen die gedaan moeten worden - en de mensen die slagen belonen. Maar de wetenschap gaat niet noodzakelijkerwijs aan het werk met technologie als doel; zij is een zoektocht naar het begrijpen van de manier waarop de natuur werkt, ongeacht of daar een praktisch resultaat uit zal voortkomen. Wanneer technologie gebouwd wordt op een wetenschappelijk fundament, zoals Morse deed met zijn telegraaf, lijken er geen grenzen te zijn. Zoals we zullen zien, is een groot gedeelte van de wetenschap en de toegepaste wetenschap die hebben geleid tot ons 21e-eeuwse niveau van gemak, gezondheid en veiligheid, afkomstig van christenen die naar deze principes leefden.

De rol van de mens

We vinden voldoende voorbeelden in niet-christelijke culturen van twee anti-wetenschappelijke filosofieën in de antropologie, de bestudering van de natuur en de rol van de mens. (1) Voor de Egyptenaren, de Spartanen, en meest recentelijk de communisten, is de mens een pion van de staat; hij is slechts een slaaf, een stuk gereedschap van de farao, de oligarchie of de staat als geheel. (2) In andere culturen, die minder totalitair maar net zo onchristelijk zijn, bestaat de rol van de mens uit een harmonieus leven met de geesten van de natuur. Dit is een populair idee onder (onder andere) mensen die de godsdienst van de Amerikaanse indianen bewonderen en voor wie het materialisme een geestelijke leegte is geworden. We moeten in harmonie leven met de natuur, in harmonie leven met de prairiewolf, de grizzlybeer, de ratelslang en de zwarte weduwe, en één zijn met de mug (sommigen van ons zijn niet onbekend met die ervaring). Ongeacht hoe bekoorlijk het mag klinken, dit soort "één-met-de-natuur" spiritualiteit is niet bevorderlijk voor het wetenschappelijke denken, maar wel voor berusting en inschikkelijkheid. Er zijn tegenwoordig indiaanse wetenschappers, maar de godsdienst van de Amerikaanse indianen heeft de wetenschap niet voortgebracht; hij heeft de wetenschap geleend.

De christelijke theologie reageert als volgt op deze twee standpunten. Over het eerste leert de Bijbel ons dat wij individueel verantwoordelijk zijn tegenover God en dat wij individueel waarde hebben omdat we naar zijn gelijkenis zijn geschapen. Door het Oude en het Nieuwe Testament heen worden individuen geprezen om hun geloof en persoonlijke ijver. Over het tweede zouden christenen zeggen dat in harmonie met de natuur leven een halve waarheid is. Ja, wij maken deel uit van de natuur; wij zijn schepselen, geen goden. De wereld is eigendom van de Heer, niet van de mens; "de heer de mens" waartegen John Muir zich uitsprak, d.w.z. de mens die het bos verwoestte en de reusachtige sequoia's omkapte, is een verdraaiing. Maar toch leert de Bijbel ons dat wij een bijzondere rol hebben in de schepping en boven de dieren staan: wij bezitten Gods gelijkenis en moeten opzieners en managers onder God zijn, zodat we van de schepping kunnen genieten en haar kunnen behouden. De angsten van sommige ecologisten en materialisten zijn ongegrond: de christelijke antropologie is, wanneer correct begrepen, de vriend van het milieu. Een groot aantal theologen beschouwt het zogenaamde "Genesis-mandaat" om de aarde te onderwerpen en erover te heersen als een mandaat om wetenschap te verrichten - een goedgezinde wetenschap die ernaar streeft om de natuur te begrijpen en er goede opzieners over te zijn. Dit mandaat werd gegeven aan het eerste menselijke stel, vóórdat de zonde de wereld binnenkwam, maar werd na de zondeval herhaald in Psalm 8:6-8 en in het Nieuwe Testament in Hebreeën 2:6-8, wat betekent dat het nog steeds de wil van God is. Maar nu de hele schepping "zucht en kreunt van pijn" (Romeinen 8:22-23), en ons leven en ons werk zwaar, moeilijk en zweterig zijn (Genesis 3:16-19), neemt het Genesis-mandaat een barmhartige gedaante aan: de wetenschap kan ons helpen om het leed en de moeilijkheden te verzachten waaronder mensen en andere schepselen gebukt gaan.

Ethiek

Het hoeft niet gezegd te worden dat wetenschappelijk onderzoek uitgaat van eerlijkheid, integriteit en een liefde voor de waarheid. Het maakt niet uit of christenen altijd een toonbeeld zijn van deze eigenschappen; het zijn hoe dan ook ongetwijfeld christelijke idealen en deugden. Kan hetzelfde gezegd worden van een wetenschappelijke gevestigde orde, of een cultuur, waarvan het hoogste principe het recht van de sterkste is?

Deze korte blik op de verschillen tussen de joods-christelijke levensbeschouwing en die van andere culturen onderstreept enkele van de vele manieren waarop de christelijke gedachte de voorvader en de beschermheilige is van de wetenschap. Het slotbetoog van dit argument is de geschiedenis zelf: de wetenschap ontstond en bloeide weelderig waar de cultuur zich het dichtst bij de Bijbelse levensbeschouwing bevond. De tijd is aangebroken om deze principes in actie te zien in de levens van werkelijke mensen.

Volgende pagina