3.2. Robert Boyle
(1627 - 1691)

Robert Boyle In deze lijst van grote wetenschappers die christenen en creationisten waren, zijn er enkelen die werkelijk een gouden medaille verdienen. Er zijn echter enkele criteria waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te kunnen komen voor een dergelijke eer. Allereerst moet de betreffende wetenschapper uitzonderlijk wetenschappelijk werk hebben verricht dat heeft geleid tot een fundamentele ontdekking, of de wetenschappelijke onderneming op een significante wijze vooruit hebben geholpen (zoals bijvoorbeeld bekendstaan als de grondlegger van een bepaald wetenschappelijk vakgebied of als de ontdekker van een fundamentele natuurwet). Ten tweede moet hij (of zij) een godvruchtig christen zijn geweest, wiens persoonlijke leven en karakter deze eer verdienen (Newton is om deze reden geen kandidaat). Ten derde moet hij een verband hebben gelegd tussen zijn christelijke geloof en zijn wetenschappelijke werk. Er zijn mensen geweest die aan de eerste twee vereisten voldeden, maar niet aan de derde; zij waren op zondag christenen en door de week seculiere wetenschappers, en om die reden vallen zij in dit opzicht buiten de prijzen.

De vierde, en laatste, vereiste heeft te maken met het avanceren van het filosofische begrip van de relatie tussen wetenschap en het Bijbelse christendom, of het actief bestrijden van ongeloof en scepticisme. Aan al deze vereisten werd ruimschoots voldaan door de volgende eervolle vermelding in deze reeks: Robert Boyle. Niet alleen wordt hij beschouwd als een steunpilaar van de moderne wetenschap (en een van haar beste uitvoerders), hij gaf de wereld ook een rijk literair erfgoed waarin hij het christelijke fundament van de wetenschap uitlegde. De titel van een van zijn vele boeken was "De christelijke virtuoso" (dat wil zeggen, de Bijbelgelovende wetenschapper). Historici noemen hem zelfs een van de beste voorbeelden hiervan.

Zoals dat ook geldt voor de meeste andere mensen in deze reeks, zijn Boyles leven en avonturen stof voor een goed verhaal, maar laten we eerst eens kijken naar de invloed die hij heeft gehad op de wetenschappelijke praktijk: (1) Een nadruk op experimenten in plaats van de rede. (2) Publicatie van wetenschappelijke resultaten. (3) Popularisatie van wetenschappelijke ontdekkingen. (4) Samenwerking van wetenschappers in professionele organisaties. (5) Wiskundige formuleringen van wetten. (6) Het onderwerpen van alle beweringen over de natuur aan experimentele verificatie, ongeacht reputatie of gezag van de bron.

Natuurlijk werkt niemand in een vacuüm (een gepaste woordkeuze, zoals we zullen zien): Boyle was niet de enige met deze idealen. Hij werd beïnvloed door zijn voorgangers Bacon, Galileo en Kepler, en er waren tijdgenoten die er eveneens een of meer van deze principes op na hielden. Onder hen was Boyle een uitmuntende leider op al deze vlakken. Hij nam het initiatief wanneer anderen zich niet konden losmaken van oude gewoonten. Hij was een voorbeeld voor hen. Hij wordt beschouwd als de vader van de scheikunde en een natuurwet is naar hem vernoemd. De eerste en oudste wetenschappelijke organisatie, die vandaag de dag nog steeds werken publiceert, is grotendeels ontstaan door toedoen van Robert Boyle en de collega's die hij wist aan te trekken met zijn energie, vuur en enthousiasme voor de wetenschap. Dat enthousiasme kwam rechtstreeks voort uit zijn christelijke geloof. Voor Boyle kwam de liefde voor God op de eerste plaats en alle andere dingen op de tweede plaats. Wetenschap was een middel om een hoger doel te bereiken: God liefhebben met het hele hart, ziel, kracht en denken.

Omdat wij de nadruk zullen leggen op Boyles filosofische gedachten, zullen we een verkorte versie van zijn levensverhaal vertellen en de lezer naar biografieën over Boyle verwijzen voor gedetailleerder informatie.

Robert Boyle werd geboren met een zilveren paplepel in zijn mond: hij was de bevoorrechte zoon van een rijke en prestigieuze landeigenaar, een vriend van de koning. Toch zou hij al snel ontdekken wat beproevingen zijn. Hij was de veertiende van vijftien kinderen in het gezin van de vermaarde graaf van Cork in Ierland. Het ontbrak de jonge Robert aan niets. Zijn wijze vader kende echter de waarde van discipline, onderwijs en hard werken. Hij zorgde ervoor dat zijn kinderen niet lui werden, maar de beste opleiding genoten om een eerbaar leven te leiden. Gedurende zijn eerste vijf levensjaren werd Robert niet opgevoed op het luxe landgoed van zijn vader, maar op de boerderij van een plattelandsgezin. Helaas groeiden de meeste kinderen uit Boyles gezin op tot losbandige en wilde volwassenen, maar niet Robert en zijn oudere zus Katherine.

Op de scholen van die tijd gaf Aristoteles nog steeds de toon aan op bijna elk vakgebied dat te maken had met de natuurwetenschappen. Onderwijs bestond voornamelijk uit het uit het hoofd leren van wat autoriteiten hadden gezegd. Sommige scholen verboden scholieren zelfs om nieuwe dingen te bedenken. Als Aristoteles zei dat een vacuüm niet kan bestaan, dan was dat zo; je moest het uit je hoofd leren en tijdens een proefwerk gewoon herhalen. Maar Robert leerde al vroeg om vraagtekens te zetten bij de meningen van mensen. Een leraar introduceerde hem in de nieuwe "experimentele methode" om dingen te leren. De jonge, pientere Boyle zette overal vraagtekens bij en was niet tevreden met de voorgekauwde antwoorden van de experts. Hij wilde weten hoe deze gezagsdragers konden weten wat zij beweerden te weten en waarom hij hen moest volgen. Immers, wie waren dan hún autoriteiten geweest?

In zijn tienerjaren nam Boyles leven een dramatische wending. Hij was zeker geen verwend rijkeluiszoontje, maar plotsklaps leerde hij enkele moeilijke levenslessen. Terwijl hij op een uitgebreide educatieve rondreis door Europa was met zijn broer Frank en een leermeester, brak er in Ierland oorlog uit. Robert was zich niet bewust van de crisis in zijn thuisland en bezocht enkele toonaangevende wetenschappers. Bijna had hij ook de grote Galileo ontmoet, maar miste zijn kans vanwege de dood van de beroemde astronoom enkele maanden eerder. Op weg naar Parijs en Rome, de grote kenniscentra, ontvingen zij een bericht van hun wanhopige vader over de oorlog thuis. Koning Karel had het te druk met andere conflicten en was daardoor niet in staat om de Ierse landeigenaars te hulp te komen tijdens deze volksopstand. De graaf van Cork zag zich gedwongen om zijn hele fortuin te besteden om zijn bezittingen te beschermen. Hij raakte in financiële nood en schreef zijn zonen dat hij geen geld meer kon sturen. Hij schreef deze woorden aan hun leermeester: "Met innerlijke zielensmart schrijf ik u deze waarheid dat ik hen na deze laatste betaling niet meer kan onderhouden. Maar als zij God dienen en in hun omgang [d.w.z. leefstijl] zorgvuldig en discreet te werk gaan, zal God hen zegenen en voor hen voorzien zoals Hij tot op heden voor mij heeft gedaan."

Frank haastte zich naar huis om te helpen, maar Robert was door ziekte niet in staat om als strijder te kunnen helpen. Hij bleef met zijn leermeester in Genève. Zijn broer Lewis stierf in de strijd, net als Lord Barrymore, de favoriete schoonzoon van de graaf. Boyles vader was overmand door verdriet en stierf op de dag waarop de wapenstilstand werd ondertekend. De opstandelingen hadden zijn landgoed en zijn gieterijen verwoest, zijn gezin uiteengeslagen en al zijn bezittingen gestolen, en toen gaf de koning bovendien het volledige land van de graaf aan de opstandelingen, als onderdeel van het vredesverdrag. Robert was nu een wees. Hij bleef twee jaar in Genève met zijn leermeester. Toen wilde hij zijn gastheer niet meer tot last zijn. Hij verkocht zijn laatste kostbaarheden en nam een boot naar Londen. Hij was toen 17 jaar oud. Tiner beschrijft de omstandigheden: "Robyn [dat is Robert] was zijn reis in deze stad begonnen. Toen hij vertrok genoot hij alle mogelijke soorten voorrechten. Zijn toekomst leek zeker. Hij kon vooruitkijken naar rijkdom, een landgoed en misschien wel een gezin met Lady Ann Howard als zijn vrouw. Nu, vijf jaar later, liep Robyn eenzaam en blut door de straten van Londen."

Een bekend prediker zei ooit: "De proef van het karakter van een mens is wat er nodig is om hem tegen te houden." Het karakter van de jonge Robert Boyle werd nu aan deze proef onderworpen. Hij kwam uit een groot gezin en hij kon nog steeds bij zijn broers en zussen terecht. Hij ging bij zijn zus Katherine wonen. Zij was dertien jaar ouder en weduwe. Zij was bijzonder ongelukkig getrouwd geweest met een lompe dronkenlap, Viscount Ranelagh genaamd (maar gelukkig voor haar stierf hij een vroege dood). Katherine en Robert leken in sommige opzichten op elkaar. Zij hielden er allebei van om dingen te leren en waren niet opstandig zoals de andere Boyle kinderen. Het zou jaren duren voordat Robert de eigendommen van zijn vader weer in handen kreeg en hij vond zijn toestand onwaardig voor het huwelijk dat al voor hem was geregeld. Desondanks was hij, dankzij de hulp van Lady Ranelagh en enkele resterende bezittingen, niet volkomen berooid. Haar sociale contacten waren een andere manier waarop zij hem wist te helpen. Katherine had een groot aantal vrienden in wetenschappelijke en intellectuele kringen. Een groepje geleerden van Oxford had onder John Wilkins een losse wetenschapsclub gevormd. Zij noemden het "de onzichtbare universiteit", omdat ze geen formele organisatie of ontmoetingsplaats hadden. Al was Robert in de ogen van deze intellectuelen slechts een tiener, toch wist hij indruk op hen te maken met zijn vaardigheden en kennis. Zijn denken bloeide op in dit ongebruikelijke universiteitsprogramma.

In politiek opzicht was het een gespannen tijd; dit waren de dagen die vooruitliepen op de revolutie van Cromwell, toen koning Karel en het parlement met elkaar overhoop lagen en de spanningen hoog opliepen. Boyle nam zijn intrek in een landhuis in Dorset en hield zich op de achtergrond. Hij richtte zich volledig op zijn drie liefdes: lezen, schrijven en wetenschap. In deze tijd schreef hij enkele diepzinnige werken over theologie en de persoonlijke christelijke leefstijl, waaronder "Stijl van de Schriftteksten, incidentele overdenkingen, ethiek" en "Enkele motieven en drijfveren voor de liefde van God". Katherine deelde kopieën van deze werken uit onder haar vrienden. Het gevolg was dat Roberts reputatie als schrijver toenam. Robert herinnerde zich hoe hij op dertienjarige leeftijd een les had geleerd over de vrees voor God. Toen hij wakker werd geschud door een onweersbui, moest hij denken aan de werkelijkheid van Gods oordeel. Hij realiseerde zich op dat moment dat hij niet gereed was om zijn Schepper te ontmoeten. Hij wist dat zijn goede werken niet voldoende waren: hij had verlossing nodig en riep God aan om vergeving. Sinds die nacht hield hij zijn belofte om als een echte christen te leven; niet om alleen maar "goed" te zijn en naar de kerk te gaan, maar om oprecht te vertrouwen op het geschenk van God door Jezus Christus en om Hem te volgen als zijn Heer en Redder. Nu schreef deze jongeman in Stalbridge Manor over hoe Gods voorzienigheid in alle dingen gezien kon worden.

In deze periode van zijn twintiger jaren was Boyle een gulzig lezer en probeerde hij ook om wetenschappelijke experimenten uit te voeren, geïnspireerd door Galileo's werken en zijn contacten aan de "onzichtbare universiteit". Slechte ervaringen met geneesmiddelen (die artsen hem onzorgvuldig hadden voorgeschreven zonder enige standaarden of kwaliteitscontrole in die tijd) motiveerden hem bovendien om scheikunde te leren; Robert had een groot gedeelte van zijn leven een zwakke gezondheid en hij wilde daarom graag effectieve geneesmiddelen ontdekken, en ook leren hoe hij slechte geneesmiddelen uit de weg kon gaan. Deze jaren waren voor hem enigszins ongestructureerd en eenzaam. Na tien jaar in Stalbridge Manor te hebben gewoond, werd hij op 27-jarige leeftijd uitgenodigd om naar Oxford te gaan, in die tijd het intellectuele centrum van Engeland.

Deze verhuizing lanceerde zijn wetenschappelijke carrière. Boyle had nu meer inzicht en volwassenheid verworven uit zijn leeswerk en experimenten. Hij kwam nu weer in contact met de "onzichtbare universiteit", die bestond uit artsen, wetenschappers en theologen die grotendeels vrome christenen waren. Net als de andere deelnemers was Robert opgewonden over de mogelijkheden van het "nieuwe leren" en de "experimentele filosofie" die werd geïnspireerd door de werken van Francis Bacon en Galileo. De "universiteit" was toegewijd aan het principe dat de wetenschap niet gebruikt zou moeten worden uit hoogmoedige motieven, maar voor het goed van de mensheid. Zij bevorderde proefnemingen in een aantal vakgebieden: scheikunde, natuurkunde en geneeskunde. Gedurende zijn zesjarige informele verbondenheid aan de "onzichtbare universiteit" te Oxford studeerde Boyle vooral op eigen houtje. Hij haalde geen diploma en werd geen professor, maar spoedig zou hij de meest uitmuntende wetenschapper van het Verenigde Koninkrijk worden.

Robert Boyle was een initiatiefnemer. Hij had geen adviseur nodig om hem de weg te wijzen. Hij was gretig op zoek naar de natuurwetten die de Schepper had ingesteld en bouwde - nu weer met voldoende financiële middelen - een laboratorium, voorzag het van de benodigde apparatuur en huurde assistenten. Zijn meest vaardige assistent was een jongeman, Robert Hooke genaamd. Hooke had weinig sociale vaardigheden, maar dat werd gecompenseerd door zijn scherpzinnigheid op het gebied van engineering (hij was het prototype van een nerd); de meester zou hem vertellen wat hij nodig had, en Hooke zou het dan voor hem uitvinden. Boyle had gehoord van interessante experimenten in een vroeg stadium met vacuümpompen. Otto von Guericke had rond 1650 aangetoond dat je lucht uit een wijnvat, en later een koperen bol, kon pompen, maar zijn apparaten waren onbehouwen en moeilijk te bedienen; er waren twee mensen voor nodig. Boyle was geïntrigeerd door het idee dat je een vacuüm kon scheppen. Aristoteles had gezegd dat "de natuur een vacuüm verafschuwde" en Descartes, een groot aantal Jezuïeten en de meeste anderen hadden dat dogma nooit in twijfel getrokken. Boyle vond dit een gelegenheid om de superioriteit van de experimentele filosofie aan te tonen, en dus vroeg hij Hooke om hem te helpen een betere luchtpomp te bouwen. Het resultaat was baanbrekend wetenschappelijk werk met methodes die tot op de dag van vandaag de norm bepalen van empirisch werk.

Hookes vindingrijkheid voorzag Boyle van een gemakkelijk te bedienen luchtpomp met een glazen reservoir waar het duo een verscheidenheid aan objecten in kon plaatsen, die dan gemakkelijk geobserveerd konden worden terwijl de lucht werd weggepompt. Ze plaatsten er een tikkende klok in en observeerden dat het geluid wegviel wanneer de lucht werd weggepompt. Ze stopten er een vogel en een poesje in en zagen hoe zij worstelden, en vervolgens bezweken, door het luchtgebrek. Ze observeerden dat geluid wel, maar licht niet werd beïnvloed door het vacuüm. Ze zagen hoe een kaars uitging. Elke waarneming werd nauwgezet op papier gezet, maar Boyle ging verder dan het vastleggen van feiten; hij had het inzicht om de resultaten te interpreteren en hypothesen te formuleren die getest konden worden. Een reeks slim bedachte experimenten leverden Boyle en Hooke een groot aantal resultaten op. Sommige gingen in tegen het gezonde verstand. Een groot aantal ging in tegen Aristoteles.


Boyle schiep vervolgens twee andere belangrijke precedenten: hij publiceerde zijn resultaten in levendig Engels, wat leidde tot de popularisatie van de wetenschap, en hij beschreef zijn apparaat heel zorgvuldig zodat anderen konden proberen om de experimenten na te bootsen, wat leidde tot het principe van herhaalbaarheid. Hij was zelfs volkomen eerlijk over zijn falen en zijn fouten. Hij vond dat die een noodzakelijk onderdeel vormden van het leerproces. Dit alles was welhaast ongekend in de wetenschappelijke praktijk. Zijn eerste artikel in 1660, "Nieuwe fysico-mechanische experimenten, de toetsing van de veerkracht van lucht, en haar gevolgen", bracht een schokgolf teweeg. Sommige critici vonden het onverstandig om de grote meester Aristoteles in twijfel te trekken. Anderen vonden dat wetenschappelijk werk alleen in het Latijn gepubliceerd moest worden.

Maar de meesten lazen zijn werk gretig. Boyle liet hiermee zien dat de wetenschap eigendom is van alle mensen en dat zij bijzonder praktische gevolgen heeft. De wetenschap leidde tot principes die door iedereen beproefd en herhaald konden worden (al was er weinig hoop dat iemand de nauwkeurigheid en degelijkheid van zijn experimenten zou kunnen overtreffen). Marie Boas Hall schreef in "Scientific American" (1967) dat een van Boyles beste ontdekkingen bestond uit het idee dat een wetenschappelijke theorie met proefnemingen kon worden bewezen; een idee dat wij tegenwoordig heel vanzelfsprekend vinden, maar dat bijna het tegenovergestelde is van de Aristoteliaanse/deductieve wetenschappelijke aanpak van zijn tijd.

Het teamwerk van Boyle en Hooke in het laboratorium leidde tot een groot aantal ontdekkingen. Hij bewees dat lucht zich in vele opzichten als een veer gedroeg; lucht gedraagt zich als een "mechanische" stof (d.w.z., een stof die wetten gehoorzaamt, niet geesten of wezens). Lucht bevat ingrediënten die essentieel zijn voor het leven en voor verbranding. Hij bouwde voort op het eerdere werk van Torricelli en toonde aan dat lucht zowel gewicht als druk had. Zij experimenteerden met kleuren, optiek en scheikundige analyses, waaronder de eerste eenvoudige lakmoesproef voor zuren en basen. Door combinaties van stoffen te testen leidde Boyle af dat complexe chemische stoffen geclassificeerd konden worden met behulp van eenvoudiger elementen (maar niet de Aristoteliaanse kijk op elementen, zoals aarde, lucht, vuur en water, waaruit alle dingen in bepaalde verhoudingen zouden bestaan). In zijn bekendste experiment goot hij kwik in een J-vormige proefbuis en observeerde hij de grootte van de opgesloten luchtkolom terwijl hij meer vloeistof toevoegde. Door zijn waarnemingen nauwgezet te meten ontdekte hij dat een verdubbeling van de druk het volume halveerde: P = k/V, een wet die later bekend zou komen te staan als de wet van Boyle. Deze ontdekking bevond zich op de cutting edge van het idee dat er iets bestond als "natuurwetten" die met behulp van experimenten konden worden ontdekt.

Boyle ging tot op hoge leeftijd door met zijn experimenten, ontdekkingen en publicaties. Zijn werk droeg bij aan het begrip van fosfor, zuren en basen, zouten, bezinksels en scheikundige elementen. Zijn prestaties in de scheikunde, zowel praktisch als theoretisch, begonnen haar weg te leiden van de mystieke en geheimzinnige kunst van de alchemisten. Daarom wordt Boyle door veel historici de vader van de scheikunde genoemd. Merk op hoe Aristoteles' uitspraak dat "de natuur een vacuüm verafschuwt" een soort animistisch karakter van de wereld impliceerde; Boyles aanpak begon de wetenschap weg te leiden van een gepersonifieerde natuur; de wetenschap begon de natuur te zien als een machine die door God was geschapen en volgens bepaalde wetten te werk ging. Boyle was niet de enige met deze benadering, maar hij toonde in dit opzicht een grote originaliteit en creatief inzicht. Marie Hall Boas legt dit uit:

    De Engelse wetenschappers waren zwaar beïnvloed door Descartes’ zorgvuldige formulering van zijn mechanische filosofie, waartoe zij nog sterker neigden omdat zij soortgelijke ideeën van Bacon volgden... [zij beschrijft verder de invloed van Gassendi en Epicurus]... Tegen het midden van de jaren 1650 had Boyle zijn eigen versie van de mechanische filosofie uitgewerkt; hij noemde deze de "deeltjesfilosofie" (tegenwoordig "corpuscularianisme" genoemd). Deze filosofie was gebouwd op de Carthesische en de atomaire kijk, maar accepteerde geen van beide volledig. Hij geloofde dat "die twee grandioze en meest katholieke [dat wil zeggen, "universele"] principes, materie en beweging" voldoende waren om alle eigenschappen van materie te verklaren zoals wij ze ervaren.

"Zoals wij ze ervaren" geeft aan dat Boyle de beperkingen van de wetenschap begreep. Bovendien maken zijn andere werken duidelijk dat hij geloofde in de immanentie van God; dat de Schepper actief is in zijn schepping. Boyle was geen "mechanist" in de zin dat hij de mogelijkheid van wonderen zou ontkennen. Hij geloofde slechts dat, in de normale werking van de natuur, Gods voorzienigheid aan het werk was via uniforme mechanische principes die voor de mens toegankelijk waren middels observaties. Hall beschrijft Boyles meningsverschillen met Descartes, Spinoza en Huygens die vonden dat "de ultieme proef van een theorie bestond uit de aantrekkingskracht voor de rede". Boyle geloofde daarentegen dat het mogelijk was om een theorie experimenteel op de proef te stellen. Dit was een nieuw idee dat volgens Hall in die tijd niet universeel aanvaard werd. Volgens haar is dit het bewijs voor "de originaliteit van Boyles benadering van wetenschappelijk bewijs en van de scheikunde". Het mag duidelijk zijn dat de wetenschappelijke wereld Boyles voorbeeld navolgde. Dit laat zien hoe belangrijk Boyle was, niet alleen als proefnemer, maar ook als pionier op het gebied van de wetenschapsfilosofie. De schat aan experimenteel werk van zijn hand toont aan dat hij de daad bij het woord voegde.

Robert Boyle was een van de oorspronkelijke twaalf leden van een nieuwe organisatie die in 1662 werd opgericht, The Royal Society for the Improving of Natural Knowledge. Deze organisatie werd in het leven geroepen om de experimentele filosofie voor het algemene goed te bevorderen. Zij vormden een duidelijke tegenstelling tot de Aristotelianen en hun motto was "Niets alleen op basis van gezag"; met andere woorden: onderwerp alle beweringen over de natuur aan experimentele proefnemingen. De oprichters en vroege leden waren voornamelijk christenen, in het bijzonder puriteinen. Henry Oldenberg, Boyles literaire assistent, was de secretaris. De eerste uitgave van hun publicatie, de "Philosophical Transactions of the Royal Society", in Oldenbergs handschrift en te lezen op de website van de Royal Society, weerspiegelt de christelijke en humanitaire idealen van de organisatie. Ook al weigerde Boyle het voorzitterschap van de Royal Society, omdat hij gewetensbezwaren had tegen het afleggen van een eed, toch was hij het meest invloedrijke en hoogst geachte lid, vooral in de tijd waarin de jonge Isaac Newton bekend begon te worden. Er waren in het verleden al academies en wetenschappelijke clubs geweest, zoals de "Accademia dei Lincei" (de "academie van de lynx") waartoe Galileo behoorde, maar de Royal Society was de eerste werkelijk formele instelling die zich toelegde op de experimentele wetenschap. Haar uitgave "Philosophical Transactions" is het oudste nog steeds gepubliceerde wetenschappelijke tijdschrift ter wereld. Terwijl het aantal leden groeide en de nieuwste experimentele vindingen aan het Gresham College in Londen werden bekendgemaakt, werd de jonge organisatie de steunpilaar van de wetenschappelijke revolutie.

Op dit punt is het nuttig om enkele dwalingen te vermelden die de organisatie al snel binnenslopen, wat leidde tot onbedoelde gevolgen. Waarom is de Royal Society vandaag de dag de meest toonaangevende naturalistische, Darwinistische, atheïstische organisatie? Boyle, John Wilkins, Henry Oldenberg en de andere oprichters zouden ontsteld zijn geweest als zij hadden kunnen zien dat hun vakblad bol staat van absurde evolutionistische speculaties op elk gebied, dat atheïsme als wetenschap wordt voorgesteld en dat geloof in de Bijbel en de bijzondere schepping belachelijk wordt gemaakt, zoals ook zo veel andere wetenschappelijke organisaties in onze post-Darwinistische wereld doen. Wat was er gebeurd? In een artikel in het magazine "Christian History" (76e uitgave - november 2002, pp. 39-40) beargumenteert Chris Armstrong dat de oorspronkelijke leden hun godsdienst verdedigden, maar dat zij door compromissen te sluiten de basis legden voor goddeloosheid. De Royal Society was een merkwaardig mengsel van puriteinen en anglicanen; van mensen die volledig op het gezag van de Bijbel vertrouwden en mensen die de traditie eerden. Zij dachten dat zij hun godsdienstige verschillen konden negeren en zich konden verenigen rond de nieuwe experimentele filosofie, omdat zij het allemaal met elkaar eens waren dat het "bewonderenswaardige vernuft" en de "precieze orde en symmetrie" de Schepper en zijn macht en glorie verheerlijkten. Natuurlijk is dat zo, maar deze kleinste-gemene-deleraanpak ging voorbij aan enkele diepere zaken: kan ook de wetenschap zich beroepen op het gezag van het Woord van God? Kan de tot zonde vervallen mens zonder de Geest van God wel zien wat de waarheid is? Armstrong schrijft: "Om zowel pragmatische als godvruchtige redenen werden enkele leden van de Royal Society beïnvloed door de rationalistische benadering van godsdienst die werd aangewakkerd door de Platonisten van Cambridge. In hun openbare redevoeringen neigden zij steeds meer naar een essentieel christendom dat alleen het bestaan van God, de onsterfelijkheid van de ziel en de onderlinge menselijke ethische verplichtingen erkende."

Hierdoor werden hun bijeenkomsten al snel overheerst door microscopische afbeeldingen van vliegenogen en plantenzaadjes en een euforie over alle mogelijke voordelen van de wetenschap, terwijl zij hun Schepper uit het oog verloren... tot de tempel gevuld was met syncretistische afgoden en, zoals Ezechiël het zegt, "de stralende aanwezigheid van de Heer" geleidelijk de tempel verliet (Ezechiël 10:18). Hadden de diep godsdienstige leden dit niet zien aankomen? Hun compromissen hadden hen in een hoek gedrongen. "Zij werden zelf beschuldigd van goddeloosheid", zegt Armstrong. Hall voegt hieraan toe: "Zij werden vanuit de preekstoel aangeklaagd, en de leden werden heel gevoelig voor mogelijke beschuldigingen van goddeloosheid." "Zij beantwoordden deze aanklacht", zo beweert Armstrong, "met de stelling dat het bewijs voor wetmatigheid en ontwerp in de structuur van alle dingen juist naar God wijst, en niet van Hem af." Maar, zo beargumenteert hij, zij realiseerden zich niet dat het algemeen aanvaarde kleinste-gemene-delerprincipe van de ontwerphypothese in de volgende eeuw "een vervanging zou worden van de op Christus gerichte leer van de historische kerk". Zij waren het er allemaal over eens dat er een God was, maar net als de Cheshire Cat van Lewis Carroll zou Hij geleidelijk verdwijnen tot er alleen nog maar een grijns resteerde. De afstandelijke "uurwerkmaker God" van de deïsten zou de God en Vader van onze Heer Jezus Christus vervangen, omdat aan Hem geen behoefte meer was. Is de geschiedenis zich aan het herhalen? De mensen in de Intelligent Design beweging, die denken dat moslims en joden en christenen en zelfs atheïsten zich kunnen verenigen rond de ontwerphypothese, doen er goed aan om de geschiedenis van de Royal Society te bestuderen. Het is niet zo dat argumenten voor de ontwerphypothese niet overtuigend of degelijk zouden zijn, maar als mensen niet helemaal naar het evangelie van Christus worden geleid en hun denken niet vernieuwd wordt door de Heilige Geest, zal de demon niet verdreven worden; hij komt dan terug met nog zeven andere geesten en dan is de situatie nog erger dan voorheen (Matteüs 12:45).

Tot zover deze zijsprong die nodig was voordat we ons konden richten op de filosofische werken van Robert Boyle. Het lijdt geen twijfel dat Boyle toegewijd was aan het historische christendom en het gezag van de Bijbel. Mulfinger schrijft dat Boyle strikt orthodox was in zijn christelijke geloof en "intolerant was tegenover predikanten die belangrijke waarheden van de Bijbel vergeestelijkten of allegoriseerden, in plaats van ze gewoon te aanvaarden zoals ze waren". Al bleef hij bij de anglicaanse kerk, toch was hij van nature een puritein en steunde hij de non-conformisten die de staatskerk hadden verlaten; hij steunde hen zelfs financieel en had een groot aantal puriteinse vrienden. Boyle bestudeerde de Schriftteksten in de oorspronkelijke talen en had het boek Genesis aanvaard als letterlijke, historische waarheid. Zijn geloof was goed onderbouwd en niet-traditioneel; hij had het gelouterd in de oven van zijn intellectuele twijfels, een beproeving die ieder in een intellectueel klimaat het hoofd moet bieden. Maar hij wist al op jonge leeftijd dat twijfel een louterend vuur was: "Hij wiens geloof nooit heeft getwijfeld," stelde hij in 1647, "mag terecht twijfelen aan zijn geloof." Dat zijn geloof gelouterd uit de smeltkroes kwam en hij er weloverwogen aan toegewijd was, bleek duidelijk toen hij zei: "Ik ben niet een christen omdat het de godsdienst van mijn land en van mijn vrienden is. Wanneer ik ervoor kies om het reeds gebaande pad te begaan, dan is dat niet omdat ik vind dat dit nu eenmaal het pad is, maar het mijn oordeel is dat dit de juiste weg is."

Achteraf gezien hadden de puriteinse leden wellicht krachtiger stappen kunnen ondernemen om de Royal Society te behoeden voor compromissen. Zij keerden zich tegen de filosofie van Thomas Hobbes en de meeste leden waren godvruchtige mensen: John Wilkins, de eerste secretaris, was eveneens overtuigd van het gezag van de Schrift, en meer dan de helft van de oorspronkelijke leden waren puriteinen. Maar, het doel van de organisatie was om de experimentele wetenschap te bevorderen, en niet de theologie. Het onbedoelde gevolg van elke instelling die de waarheid probeert te ontdekken, los van een vooringenomen toewijding aan de christelijke openbaring, is dat zij nooit tevreden zal zijn binnen de grenzen van waarneembare en herhaalbare fenomenen. Zij zal alles, zelfs de "onbewogen beweger" of de "eerste oorzaak", willen uitleggen met strikt natuurlijke verklaringen. Uiteindelijk wordt zij zelf een plaatsvervangende godsdienst die zich het recht toe-eigent om alles te verklaren wat er is, wat er was en wat er ooit zal zijn.

De Royal Society, hoe godvruchtig zij ook was, deed de verborgen aanname dat onvernieuwde mensen volkomen in staat zijn om de waarheid te kennen, zonder enige toewijding aan de Ene die de weg, de waarheid en het leven is. De achterliggende gedachte is een onvolledige zondeval die het denken van de mens onbeschadigd heeft gelaten. Met die aannames zal de menselijke hoogmoed, een gevolg van de zonde, een wetenschap voortbrengen die haar eigen beperkingen en morele gebreken weigert te aanvaarden. Dit geeft Satan de gelegenheid om een eerbare onderneming te veranderen in een werktuig van het scepticisme. Het eindresultaat kan gezien worden in de artikelen die vandaag de dag gepubliceerd worden in de "Philosophical Transactions", en die proberen om de evolutie van moraliteit en de oorsprong van het heelal uit het niets te verklaren. Het leidt tot de arrogante verkondigingen van haar leiders dat "de wetenschap" als pad naar de waarheid op alle vlakken superieur is aan het christelijke geloof.

In de eerste decennia werd de Royal Society echter gezegend door het deugdelijke christelijke getuigenis en het zorgvuldig overwogen geloof van Robert Boyle. Zijn integriteit was vlekkeloos. Zijn hele leven lang was Boyle een nederige, genadige, biddende en vredelievende man. Hij was uitzonderlijk gewetensvol; hij nam zelfs een respectvolle pauze voordat hij de naam van God uitsprak. Hij was bijzonder intolerant tegenover vloeken. Hij was in lichamelijk opzicht niet erg sterk en daarom is het opmerkelijk hoe productief hij was. Zijn geheime krachtbron was zijn vurige liefde voor God en zijn fascinatie voor Gods schepping. Boyles pastor beschreef hem met de volgende woorden: "Zijn grote gedachten over God en zijn overdenkingen van zijn werken waren voor hem een bron van voortdurende vreugde die nooit uitgeput kon raken." Dit was klaarblijkelijk een van de redenen dat hij nooit in het huwelijk trad (naast de afkeer die hij had voor de manier waarop veel mannen in zijn tijd het huwelijk onteerden). In plaats daarvan wijdde hij zich volledig aan zijn werk. Daarnaast was hij een groot voorstander van buitenlandse zendingsreizen; jarenlang gaf hij financiële steun aan christelijke zendelingen en Bijbelvertalingen voor het verre oosten, de Ieren (de mensen die het land van zijn vader hadden leeggeroofd) en de indianen aan de andere kant van de oceaan in de bloeiende Amerikaanse nederzettingen. Hij leidde een spaarzaam leven, maar gaf gul aan de verspreiding van het evangelie.

Zijn hartstocht voor de verspreiding van het goede nieuws van Jezus Christus werd geëvenaard door zijn vuur tegen het atheïsme. Voor hem kwam de wetenschap qua belang niet eens in de buurt van het christelijke geloof. Hij zei: "Ik zou liever hebben dat mensen geen filosofen waren dan geen christenen; ik zou liever hebben dat je de mysteries van de natuur negeert dan dat je de Auteur ervan ontkent" (met atheïsme bedoelde Boyle niet alleen een filosofische ontkenning van God, wat in zijn tijd minder voorkwam, maar ook het praktisch soort atheïsme dat een gelovige doet leven alsof er geen God is). In zijn laatste wil zette hij een fonds op voor een reeks van acht lezingen, die elk jaar gehouden moest worden, waarmee het historische christelijke geloof verdedigd moest worden tegen het atheïsme en de superieure redelijkheid aangetoond moest worden van het Bijbelse christendom tegenover enige filosofie of argumenten van critici of sceptici. De "Boyle Lectures", zoals deze lezingen werden genoemd, werden vele jaren gehouden.

In zijn werken bevorderde Robert Boyle de bestudering van de relatie tussen christendom en wetenschap. Zijn woorden zijn weloverwogen, diepzinnig en verlichtend. Hij stapte niet in de valkuil waarin de Bijbel alleen nog maar gezag heeft op het gebied van moraliteit en geloof; zonder voorbehoud paste hij 2 Timoteüs 3:16 ("Heel de Schrift is door God ingegeven") toe op de volledige Bijbel, inclusief het boek Genesis. Bovendien geloofde hij in "verbale inspiratie", wat betekent dat Gods openbaring zit opgesloten in de woorden van de tekst zelf, en niet alleen in de betekenis (want dat opent de deur tot een onbegrensde menselijke parafrasering). Dit zette hem ertoe aan om de klassieke talen te bestuderen. Op die manier kon hij de bedoelde betekenis ontdekken van de oorspronkelijke woorden, vooral in passages die in vertalingen moeilijkheden opleverden.


In zijn benadering van dergelijke moeilijkheden erkende Boyle dat het doel van de Bijbel niet was om ons, als een tekstboek, kwantitatieve wetenschappelijke beschrijvingen te geven van de natuurlijke wereld. Zijn interpretatieve raamwerk ging op heel directe wijze om met de vraag wanneer een passage poëtisch of vertellend uitgelegd moest worden en wanneer een passage beschrijvend of vóórschrijvend moest worden gelezen. Hij volgde Calvins leer aangaande "accommodatie", dat wil zeggen dat het taalgebruik van de Heilige Geest zodanig is, dat het niet alleen door experts, maar ook door de gewone mens begrepen kan worden. De Bijbel bevat gemakkelijk te begrijpen uitdrukkingen zoals de opkomst en de ondergang van de zon; de taal beschrijft wat de mens waarneemt in plaats van een kwantitatieve, technische beschrijving. Passages die leken te staan voor een geocentrische kijk konden zo gezien worden als zegswijzen zonder de verbale inspiratie te hoeven opgeven. Als zodanig is Boyle een goed model voor de tegenwoordige christelijke virtuosi die de wetenschap wensen te bevorderen zonder het Bijbelse gezag op te offeren. Michael Hunter, een Boyle-expert en verzamelaar van zijn omvangrijke werk, is onder de indruk van de diepte en de breedte van Boyles gedachten over deze onderwerpen:

    Boyle hield zich vooral bezig met de relatie tussen Gods macht, het geschapen domein en de manier waarop de mens dit waarneemt, een onderwerp waar hij uitgebreid over schreef... Boyle benadrukte de mate waarin Gods alwetendheid uitstijgt boven de begrenzingen van de menselijke rede. Hij nam zo een positie in die in schril contrast stond met die van het nogal inschikkelijke rationalisme van zijn gelovige tijdgenoten... Hij overpeinsde ook uitvoerig een correct begrip van doelgerichtheid ("uiteindelijke oorzaken") en in dit verband bood hij een van de meest geraffineerde uiteenzettingen van de ontwerphypothese in deze tijdsperiode. Boyles belang voor de wetenschapsgeschiedenis is bijna even afhankelijk van deze diepe kijk op moeilijke onderwerpen in zijn filosofische werken als van zijn experimentele verhandelingen.

Hunter beschrijft verder de intense vijandigheid van Boyle tegen "enige kijk op de natuur die volgens hem de aandacht afleidt van een gepaste waardering van Gods macht in zijn schepping". Dit kwam onder andere tot uitdrukking in uitgebreide argumenten tegen het Aristotelianisme en het materialisme van Thomas Hobbes, "ondanks zijn beleden weerzin om betrokken te raken bij filosofische geschillen". Aan de pluszijde geven de titels van enkele van Boyles boeken ons een aanwijzing voor hun rijke inhoud: "Enkele overwegingen aangaande de bruikbaarheid van de experimentele natuurfilosofie"; "Vrij onderzoek naar het algemeen aangenomen begrip van de natuur"; "De uitmuntendheid van de theologie, vergeleken met de natuurfilosofie", "Uiteenzetting van dingen die boven de rede uitstijgen", "Verhandeling over de uiteindelijke oorzaken van natuurlijke dingen", en vooral "De christelijke virtuoso". Hunter schrijft: "Hierin geeft Boyle een grote bijdrage aan het begrip van wat hij zag als de correcte relatie tussen God en de natuurlijke wereld en het vermogen van de mens om deze te begrijpen."

Het lezen van Boyles eigen woorden over de relatie tussen de wetenschap en de Schrift is bijzonder verrijkend. Er is zo veel materiaal beschikbaar, dat wij slechts enkele uittreksels hebben opgenomen in een afzonderlijk artikel. Voor mensen die dieper willen duiken in het denken van deze grote scheppingswetenschapper, verwijzen wij graag naar de Robert Boyle website. Michael Hunter en andere geleerden hebben daar de werken van Boyle verzameld en gepubliceerd.

Uit de overvloed van de vele gezegdes van Boyle die wij zouden kunnen citeren, is de bondigste wellicht de beste. Dit citaat stelt duidelijk en eenvoudig waarom een christen een virtuoso zou moeten zijn, wat in die tijd betekende "een liefhebber van kennis" (een synoniem van filosoof of wetenschapper). Het onderstreept een bekend thema van deze website, een motivatie die al vaak is verwoord door een groot aantal christelijke wetenschappers van de middeleeuwen tot het heden. Boyle vat het in slechts tien woorden samen:

"Uit kennis van zijn werk, zullen wij Hem kennen."

Volgende pagina


Lees Boyle! Zie onze pagina met de werken van Boyle.

Lees John Kaplans biografie van Robert Boyle in Creation Magazine.

De Stanford Encyclopedia of Philosophy heeft een uitgebreide biografie.

Een korte biografie van Boyles leven en wetenschap kan gevonden worden op de History of Mathematics website.

Hier is de officiële website van het Boyle Project van de Universiteit van London, geleid door dr. Michael Hunter van Birkbeck College, Londen, die zijn werk al meer dan vijftien jaar onderzocht heeft.

De Royal Society bestaat nog steeds en heeft online materiaal beschikbaar aangaande haar geschiedenis.