4.10. Kunnen moleculen met tegenstelde draairichtingen net zo gemakkelijk een verbinding aangaan?

Hoewel er een zekere mate van onzekerheid over dit onderwerp bestaat in de huidige wetenschappelijke kennis, lijkt het antwoord zich op één van de volgende extremen te bevinden, of ergens ertussenin: (1) Het is mogelijk dat aminozuren met tegengestelde draairichtingen, gemiddeld gezien, net zo gemakkelijk een verbinding met elkaar kunnen aangaan als aminozuren met dezelfde draairichting. Wanneer alle factoren in beschouwing worden genomen lijkt dit het meest waarschijnlijk. De verschillende aminozuren zijn verschillend wat betreft het gemak waarmee zij in elkaar kunnen passen. Sommige doen dit beter wanneer zij dezelfde draairichting hebben, andere wanneer zij een tegengestelde draairichting hebben. De vorm van de keten, wanneer die een spiraal begint te vormen, zou ook van invloed kunnen zijn.

(2) De andere mogelijkheid is dat er in sommige bijzondere gevallen een voorkeur bestaat voor dezelfde draairichting, zoals in enkele rapporten wordt aangegeven. [1] In enkele andere gevallen is er sprake van een voorkeur voor een tegengestelde draairichting. [2] De uiterste grens lijkt een mogelijke voorkeur van 6/7 te zijn voor dezelfde draairichting. Het is erg onwaarschijnlijk dat dit in het algemeen het geval zal zijn, maar we zullen dit toch gebruiken als een limiet die in beschouwing moet worden genomen.

Omdat dit onderwerp behoorlijk technisch wordt, zullen we in Bijlage 2 enkele details bijvoegen. Deze details leiden tot de conclusies die we zojuist in het kort hebben opgesomd. Je kunt zelf experimenteren met modellen voor aminozuren om je ervan te overtuigen dat het ongeveer net zo makkelijk is om ze aan elkaar te verbinden, of zij nu dezelfde of de tegengestelde draairichting hebben. Verscheidene tegenstelde configuraties worden routinematig in diverse laboratoria vervaardigd zonder bij de verbindingen meer hinder te ondervinden dan wanneer dezelfde draairichting wordt gebruikt, [3] behalve in de genoemde uitzonderlijke gevallen.

In het volgende hoofdstuk zullen waarschijnlijkheidsredeneringen worden toegepast op deze uiterste limieten: het ene uiterste is dat het gemak van de verbinding onafhankelijk is van de draairichting, het andere uiterste is dat er een 6/7 voorkeur bestaat voor dezelfde draairichting.

Volgende pagina


1 R. D. Lundberg en Paul Doty, "A Study of the Kinetics of the Primary Amine-initiated Polymerization of N-Carboxy-anhydrides with Special Reference to Configurational and Stereochemical Effects", American Chemical Society Journal, Vol. 79 (1957), pp. 3961-3972.

E. R. Blout en M. Idelson, in American Chemical Society Journal, Vol. 78 (1956), pp. 3857, 3858. Deze auteurs noemen ook een omgekeerde voorkeur als een verklaring voor sommige van hun resultaten.

Fred D. Williams, M. Eshaque en Ronald D. Brown, "Stereoselective Polymerization of Gamma Benzyl Glutamate NCA", Biopolymers, Vol. 10 (april 1971), pp. 753-756. [Terug naar de tekst]

2 Fred D. Williams, Michigan Technological University, telefoongesprek, juni 1971.

Eberhard Shröder en Klaus Lübke, The Peptides (New York: Academic Press, 1965), pp. 274, 275, 319-326. [Terug naar de tekst]

3 E. Klein et al., "Permeability of Synthetic Polypeptide Membranes" Biopolymers, Vol. 10 (april 1971), pp. 647-655.

E. Klein, Gulf South Research Institute, New Orleans, telefoongesprek, juni 1971. [Terug naar de tekst]