9.6. Vertaling naar eiwitten

Middels lange, geduldige waarnemingen hebben biochemici ontdekt welk codon, of trio, vertaald wordt tot welk aminozuur wanneer een eiwitketen wordt gemaakt. Men heeft gevonden dat in veel gevallen meerdere verschillende drietallen overeenkomen met een en hetzelfde aminozuur. Drie van de vierenzestig codons geven aan dat het om een "einde van de keten" gaat. Dit einde dient als een "punt" om de voltooiing van een eiwit aan te geven.

Vervolgonderzoek richt zich op de vraag of er redenen zijn dat meer dan één codon gebruikt wordt om hetzelfde aminozuur aan te geven. Er zijn bijvoorbeeld vier codons die voor glycine coderen. De resultaten lijken aan te geven dat hier goede redenen voor zijn. [1] Men vermoedt dat codonduplicaten verband houden met de snelheid waarmee eiwitten geproduceerd worden. Sommige aminozuren worden gecodeerd door wel zes verschillende codons – elk van deze wordt net als de andere naar hetzelfde aminozuur vertaald. Het aminozuur methionine heeft echter maar één codon, net als tryptofaan. Duplicaten kunnen "in sommige gevallen een regulerende werking" hebben. [2]

Volgende pagina


1 James Kan, Marshall W. Nirenberg, en Noboru Sueoka, "Coding Specificity of Escherichia coli Leucine Transfer Ribonucleic Acids", Journal of Molecular Biology, Vol. 52 (1970), pp. 179-193.

Zie ook: Joseph Ilan, "The Role of tRNA in Translational Control of Specific mRNA during Insect Metamorphosis", Symposia on Quantitative Biology (Cold Spring Harbor Laboratory, Long Island, N.Y., 1969), Vol. XXXIV, pp. 787-791. (Englewood Cliffs, N.J.: Prentice-Hall, 1970), p. 267. [Terug naar de tekst]

2 Marshall W. Nirenberg, National Institutes of Health, persoonlijk telefoongesprek, oktober 1971. [Terug naar de tekst]