2. De vroege christelijke wortels van de moderne wetenschap

Nu we gezien hebben hoe de achterliggende filosofische aannames die essentieel zijn voor een wetenschappelijke kijk op de wereld vooral aan de dag gelegd werden binnen een christelijke cultuur, kunnen we de volgende vraag stellen: hoe ontstond de moderne wetenschap dan precies in Europa? Het is nuttig om deze abstracte concepten te verrijken met wat persoonlijker informatie. In dit hoofdstuk zullen we enkele belangrijke denkers introduceren, van de middeleeuwen tot de Renaissance, die de weg baanden voor het wetenschappelijke tijdperk.

De zogenaamde donkere middeleeuwen waren niet volledig donker. De enigszins kleinerende term "donkere middeleeuwen" is gedeeltelijk een product van de verlichting die zichzelf wilde distantiëren van de scholastische filosofen, maar er waren toch echt wel enkele heldere lichten van de wetenschappelijke gedachte die voorafgingen aan het zogenaamde tijdperk van de rede. Laten we eens de tijd nemen om de tijdsperiode te beschouwen tussen Christus en 1000 na Christus, het begin van onze wetenschappelijke tijdbalk.

Van 1 tot 1000 na Christus

Het eerste millennium was een turbulent tijdperk. De wetenschap kon moeilijk opbloeien omdat politieke en economische stabiliteit ontbrak. In de eerste 1000 jaar na Christus zag de wereld hoe het verbrokkelende Romeinse Rijk in tweeën werd gesplitst en uiteindelijk door barbaarse stammen werd overrompeld. Drie en een halve eeuw lang waren christenen een verachte en vervolgde bevolkingsgroep. Zij werden gekweld door golven van intense vervolgingen en probeerden het licht van Christus' verlossende boodschap in leven te houden, terwijl ze zich verborgen hielden in duistere catacomben en andere geheime plekken waar zij God aanbaden. Toen Constantinus in 313 na Christus eindelijk een einde maakte aan de vervolgingen en het christendom uitriep tot staatsgodsdienst, hadden christenen te kampen met een nog groter gevaar: de verdraaiing van hun eigen belangrijkste overtuigingen. Het kwam steeds vaker voor dat pastors en leraren een compromis sloten tussen de integriteit van de christelijke leer enerzijds en politieke ambitie en persoonlijke gierigheid anderzijds. Het christendom werd geleidelijk een ongezond mengsel van christelijke en heidense tradities. De oosterse kerk kwam ten val onder de moslims, terwijl de westerse kerk tegen de tijd van de middeleeuwen was uitgegroeid tot een meedogenloze politieke macht, die haar gezag oplegde aan zowel regeringen als het kleine volk, vaak met een volkomen veronachtzaming van de eenvoud van de leer van Jezus Christus. Terwijl de bevolking steeds meer vervreemde van de Schrift, raakten de kerkleiders bovendien steeds meer gecharmeerd van de Griekse filosofie. Individuele nieuwsgierigheid naar de wereld en de werking van de wereld werd op twee fronten onderdrukt: de noodzaak om in het eigen levensonderhoud te voorzien en de angst om in te gaan tegen de officiële dogma's van de kerk. Er was echter één instelling waar de vlam van de Schriftuurlijke waarheid niet werd uitgedoofd: de kloosters.

De middeleeuwse filosofen

In een overwegend katholieke cultuur is het begrijpelijk dat de monastieke filosofen een uitvloeisel van hun tijd waren. In de kloosters werden de Schriftteksten met de grootst mogelijke zorg gekopieerd. Sommige monniken hadden tijd voor scholastische bezigheden en leerden Grieks en Hebreeuws. Zo konden zij de Bijbelse manuscripten in de oorspronkelijke talen lezen. Vooral de Ierse christenen, na het zendingswerk van Patricius in de 5e eeuw, wisten enkele van de belangrijkste teksten uit de klassieke literatuur te behouden. Keizer Karel de Grote, een briljant militair strateeg, ondernam de meest succesvolle (van diverse) pogingen om de glorie van Rome te doen herleven. Met een reeks militaire overwinningen had hij rond 800 na Christus de meeste Europese landen onder zijn gezag gebracht. Hij werd toen met de zegen van de paus tot keizer gekroond. Karel was méér dan een koning; zijn beleid verenigde strijdende stammen en bracht beschaving naar een continent dat al lang geplaagd werd door barbaarse plundertochten. Karel had ingezien dat een rijk een gemeenschappelijke identiteit nodig heeft. Als keizer vaardigde hij wetten uit die primaire mensenrechten respecteerden, regeerde hij heel wijs via efficiënte afgezanten en maakte hij het Latijn de lingua franca overal in dit nieuwe Heilige Romeinse Rijk. Zijn maatregelen waren van onschatbare waarde voor de stabilisatie en de beschaving van het Westen.

Een van Karels blijvende bijdragen was zijn edict uit 787 waarin elke kathedraal en elk klooster werd bevolen om een openbare school te openen. Deze abdijscholen, bedoeld voor zowel arm als rijk, tilden de geletterdheid in het rijk naar een nieuw niveau. Karel had Alcuinus van York, een vermaard geleerde, ingehuurd om zijn onderwijshervormingen door te voeren. Alcuinus maakte gebruik van oude Romeinse instellingen; hij stelde het Trivium (grammatica, retoriek en logica) in als de kern van het curriculum. Later werd het Quadrivium (rekenkunde, muziek, geometrie en astronomie) toegevoegd. In een samenleving waarin de kerk oppermachtig was, had elk aspect van het leven een geestelijk doel. Dat gold ook voor het onderwijs. De meeste geleerden en onderwijzers in de middeleeuwen zagen geen dichotomie tussen onderricht en geloof. Het leren van recht, literatuur, talen, ambachten en kunsten werd allemaal gezien binnen de context van geestelijke verbetering; er was geen scheiding tussen het seculiere en het heilige. De geleerden waren van nature geïnteresseerd in de klassieke literatuur, maar "verchristelijkten" deze: zij aanvaardden de dingen die volgens hen overeenkwamen met de Schrift, en wezen af wat duidelijk heidens was. In de drie eeuwen na Karel de Grote leidde een groeiende bevolking tot meer urbanisatie, meer arbeidsverdeling, meer vrije tijd en een grotere interesse in het nastreven van kennis. Tegen het einde van de 11e eeuw was de situatie zo stabiel dat steeds meer mensen met een opleiding konden nadenken over de natuurlijke filosofische vraagstukken. Zo leidde de schoolbeweging, al ging het niet snel, tot de opkomst van een instelling die een uniek kenmerk was van het christelijke Latijns-Europa: de universiteit.

De eerste universiteiten begonnen als losjes georganiseerde studentengilden. Zij ontwikkelden zich geleidelijk tot centra voor academisch onderwijs en zelfverbetering. Het is begrijpelijk dat de ideeën doordrongen waren van de katholieke theologie en traditie, maar degenen die bekend waren met de Schrift konden de kern van de Bijbelse aannames nieuw leven inblazen. Een nieuwe drijfveer kwam om de hoek kijken toen islamitische filosofen in de 12e eeuw de leer van Aristoteles opnieuw in het Westen introduceerden. De vroege kaliefen waren in de 8e eeuw begonnen aan een opmerkelijk vertaalprogramma, waarin Griekse teksten verzameld en in het Arabisch vertaald werden. Naar verhouding had het westen relatief weinig teksten; men had wel vaak Plato's "Timaeus", maar geen Aristoteles. Naast hun kennis van het Grieks waren islamitische geleerden als Avicenna en Averroes opmerkelijk bedreven in de wiskunde, geneeskunde, scheikunde (voornamelijk alchemie) en astronomie (voornamelijk astrologie). Hun successen trokken de aandacht van de Latijnse geleerden. Terwijl de islamitische wetenschap in de 12e eeuw achteruit begon te gaan, vond er in het Latijnse Westen een opleving plaats, waarbij zwaar werd geleend van de Arabische kopieën van de klassieke teksten, waarvan sommige afkomstig waren uit het nabijgelegen Moorse Spanje. Een andere vertaalbeweging bloeide op toen westerse geleerden de Arabische documenten in het Latijn vertaalden en ze gretig bestudeerden.

Met deze nieuwe klassieke teksten in de hand zagen de middeleeuwse filosofen zich gedwongen om de grote vraagstukken het hoofd te bieden op het gebied van de verenigbaarheid van de Griekse en de Bijbelse gedachte. In tegenstelling tot de populaire opinie werd de Griekse filosofie door de middeleeuwse geleerden niet voor zoete koek geslikt, noch bestond er een consensus over de relatie tussen het klassieke onderricht en de christelijke theologie. Hoewel de Griekse en Arabische ideeën ongetwijfeld invloedrijk waren in het christelijke Europa, hadden de universiteiten een argumenterende pedagogische stijl aangenomen die een kritieke analyse van alle proposities vereiste. Velen waardeerden Aristoteles of Plato of Ptolemaeus vanwege de sierlijkheid van hun systemen, maar zij bekeken die systemen nu met een kritisch oog vanuit het standpunt van hun katholieke leer. Daarnaast bestond er een breed spectrum aan meningen over de geldigheid van kennis uit heidense bronnen. Zoals we zullen zien werd de sceptische benadering van Aristoteles geleid door enkele middeleeuwse katholieke geleerden, en vooral de latere protestantse denkers. Deze kritische houding droeg bij aan de opkomst van het empirisme, het begrijpen van de natuurlijke wereld middels waarnemingen en experimenten. Hun motivatie was niet alleen negatief (een reactie op Aristoteles), maar ook positief: het geloof dat de natuur de schepping was van een transcendente, goede, wijze, rationele God.

Volgende pagina