1.3. Wetenschap en wetenschapsfilosofie

Hoewel veel mensen zich dit niet realiseren, is het beoefenen van de wetenschap haast onmogelijk zonder "wetenschapsfilosofie", dat wil zeggen een overzicht van wat de wetenschap omhelst. Vermaard natuurkundige David Bohm schreef: "Metafysica is fundamenteel voor elke tak van de wetenschap." Met metafysica bedoelt hij de fundamentele aannames die een mens doet in een poging om de ware aard der dingen te verklaren. Hij gaat verder:

"Het lijkt duidelijk dat ieder mens een of andere vorm van metafysica hanteert, zelfs als hij denkt dat dat niet zo is. De praktische, ‘koppige’ mens die ‘alleen afgaat op wat hij ziet’ bezit in het algemeen een erg gevaarlijk soort metafysica, dat wil zeggen het soort waarvan hij zich niet bewust is… gevaarlijk omdat hierin aannames en gevolgtrekkingen abusievelijk voor direct geobserveerde feiten worden gehouden, met het gevolg dat deze effectief op een bijna onveranderlijke wijze worden verankerd in zijn denken." [1]

Dr. Bohm biedt vervolgens de volgende interessante suggestie om verkeerde conclusies te vermijden die het gevolg zijn van het door elkaar halen van filosofie en wetenschappelijk bewijs:

"Een van de beste manieren waarop een mens zich bewust kan worden van zijn stilzwijgende metafysische aannames, is om geconfronteerd te worden met verschillende andere soorten aannames. Aanvankelijk zal hij behoorlijk geagiteerd reageren… Maar, als hij zal doorzetten, in plaats van boos te worden of tegengestelde ideeën zomaar af te wijzen,… dan zal hij zich bewust worden van het veronderstellende karakter van een groot aantal eigenschappen van zijn eigen denken die voorheen nooit in twijfel getrokken werden." [2]

Het is volgens Professor Bohm niet zo dat we ons moeten bevrijden van metafysica of aannames, omdat het noodzakelijk is dat we zo’n filosofisch standpunt hebben. "Iedereen," zegt hij, "zal helderder denken als we eerlijk en open toegeven dat een heleboel… ‘feitelijke wetenschap’ in feite een soort van poëzie is, die onontbeerlijk is voor ons algemene mentale functioneren." [3]

Er bestaan tegenwoordig twee hoofdfilosofieën in de wetenschap. De bekendste is het in essentie materialistische geloof dat alle fenomenen verklaard kunnen worden door de natuurkunde en de scheikunde, zonder een beroep te doen op iets "bovennatuurlijks". De andere hoofdfilosofie in de wetenschap werd goed verwoord door Wernher von Braun - de Amerikaanse natuurkundige, raketwetenschapper en pionier in de ontwikkeling van onze maanraketten - toen hij in een interview in 1969 zei:

"Door middel van een nadere kijk op de schepping zouden we een beter begrip van de Schepper moeten kunnen krijgen, en ons meer bewust worden van de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God." [4]

In die verklaring stapte von Braun buiten wat normaal gesproken als het domein van de wetenschap wordt beschouwd. Als we ons afvragen of hij met die uitspraak onwetenschappelijk bezig was, dan moeten we even een moment stilstaan. Laten we even het idee van iets "bovennatuurlijks" laten varen en de volgende hypothetische situatie beschouwen: stel dat men heeft ontdekt dat ons materiële heelal is doordrongen van een of andere onverwachte invloed - laten we zeggen, een mysterieuze straling. Laten we vervolgens aannemen dat het bewijs aantoont dat deze straling een gevolg is van een oorzaak die zelf nooit precies gemeten of geobserveerd kan worden. Toch heeft deze oorzaak een werkelijke en concrete invloed op gebeurtenissen en wetten binnen ons fysisch-chemische heelal, een gevolg dat aanzienlijk is.

Het is duidelijk dat het negeren van zo’n feit een mens ervan zou kunnen weerhouden om de natuurkunde of gerelateerde wetenschappen volledig te begrijpen, omdat die onbekende oorzaak nauw verbonden is aan de manier waarop dingen in de materiële wereld werken. Zelfs als die oorzaak zelf volledig buiten het wetenschappelijke onderzoek zou vallen, dan zou deze toch door ons in beschouwing moeten worden genomen om een correct begrip te kunnen hebben van de wereld om ons heen. Het zou kunstmatig en beperkend zijn als een wetenschapper ervan zou worden weerhouden om na te denken over iets wat "buiten zijn vakgebied" valt, als dit het onderwerp van zijn studie beïnvloedt. Het opleggen van zulke beperkingen zou zelfs onwetenschappelijk zijn, zoals we zojuist zagen in de gepostuleerde situatie (het is vandaag de dag duidelijk dat we op eenzelfde manier geen absolute grenzen tussen wetenschappelijke disciplines kunnen trekken, bijvoorbeeld tussen natuurkunde en scheikunde, zonder onze kennis te limiteren).

Een correct "wereldbeeld" of algemene kijk op de dingen is in vele gevallen essentiëel voor een nauwkeurig begrip. Denk eens na over de beperkingen die een wetenschapper zou hebben als hij gelooft dat de wereld plat is. Wanneer hij experimenten interpreteert of "wetenschappelijke observaties" doet, dan zullen de resultaten vertroebeld worden door zijn incorrecte idee. Een groot gedeelte van zijn werk zal worden weerlegd, omdat zijn wereldbeeld niet overeenkomt met de realiteit. Een nog grotere belemmering voor de wetenschap kan ontstaan wanneer iemand de mogelijkheid negeert dat er dingen in het heelal kunnen bestaan die ontworpen zijn. Daarom is het logisch dat we het in deze introductie even hebben over deze levensbeschouwelijke zaken, omdat ons wereldbeeld moet overeenstemmen met het werkelijke heelal. We zouden met een open geest alles moeten overwegen wat te maken heeft met de werkelijkheid van ons materiële heelal en zijn wetten.

In deze kijk hoeft "godsdienst" niet noodzakelijkerwijs een rol te spelen wanneer iemand de bijzondere schepping overweegt als de wetenschappelijke theorie die het waargenomen heelal het best verklaart (maar, als iemand daadwerkelijk tot deze conclusie komt, dan is het enige logische gevolg dat hij de Schepper, die zo’n kosmos zou kunnen maken, eert en een zoektocht begint om meer te weten te komen over het plan dat daaraan ten grondslag lag).

Sommige individuele wetenschappers, die het standpunt van dr. von Braun niet delen, hebben een duidelijke aversie tegen het idee dat bewijs in ogenschouw genomen moet worden dat buiten de stoffen en krachten valt, die in onze laboratoria of via wetenschappelijke observatie in materialistische zin onderzocht kunnen worden. Dit leidt tot een zenuwachtigheid die in zekere zin "religieus" genoemd kan worden. Op eenzelfde manier bestaat er een soortgelijk ongemak onder de mensen die het materialistische wereldbeeld van de naturalistische evolutie niet kunnen accepteren.

Redelijke mensen, die een van deze wereldbeelden aanhangen, hebben geen reden om zich zorgen te maken als hun eerlijke verlangen is om gewoon de waarheid te volgen, waar deze ook naartoe mag leiden. De wetenschapsfilosofie (en levensfilosofie) van een mens moet op een solide manier gebaseerd zijn op wat waar is, voor zover dat kan worden vastgesteld, anders wordt hij het slachtoffer van steeds terugkerend ongemak en droefheid, om nog niet te spreken van de ernstiger gevolgen die kunnen ontstaan wanneer er op een slecht fundament wordt gebouwd (overdenk, bijvoorbeeld, de gevolgen als von Braun en anderen incorrecte formules hadden gebruikt bij de bepaling van de baan van de maan, omdat hun metafysische aannames niet overeenkwamen met de werkelijkheid).

In het licht van wat hierboven gezegd is, kan ingezien worden dat het onderzoek en de publicaties van een wetenschapper nu en dan het wereldbeeld weerspiegelen dat hij aanhangt. Alhoewel dit niet altijd expliciet wordt vermeld, kan bijvoorbeeld de filosofie van een bioloog vaak ontwaard worden in zijn publicaties (het zal niet moeilijk zijn om in dit boek, op dat gebied, het respect van de schrijver ten opzichte van de wetenschap in het algemeen te ontwaren, zijn hoge achting voor de wetenschappelijke methode, en zijn enthousiasme om het bereik van de huidige wetenschappelijke kennis uit te breiden. Zijn wereldbeeld zal eveneens zeer duidelijk zijn, omdat zijn specifieke wetenschapsfilosofie voor hem de meest stimulerende en productieve gedachte voor wetenschappelijk onderzoek is gebleken).

Alvorens aan te vangen met de bestudering van DNA, eiwitten en waarschijnlijkheid, kan het wellicht de moeite waard zijn om eerst een korte blik te werpen op hoe een mens te werk zou kunnen gaan bij het opbouwen van een adequate wetenschapsfilosofie, die deel uitmaakt van zijn levensfilosofie of zijn algemene kijk op de wereld. Hoe dan ook, een wereldbeeld dat een mens in het ongewisse houdt is onwenselijk.

Volgende pagina


1 David Bohm, "Further Remarks on Order," in Towards a Theoretical Biology, ed. C. H. Waddington (Chicago: Aldine Publishing Co., 1968), p. 41. [Terug naar de tekst]

2 Idem, p. 42. [Terug naar de tekst]

3 Idem. [Terug naar de tekst]

4 Wernher von Braun, in Associated Press Dispatch, The Cleveland Plain Dealer (Cleveland, Ohio, 19 juli 1969), p. 5. [Terug naar de tekst]