2.2. Willem van Ockham
(1288 - 1347)

Willem van Ockham De man die ons "Ockhams scheermes" gaf, was een katholieke geleerde met bijzonder veel kennis over de natuurwetenschappen. Hij stond bekend om een groot aantal dingen, naast het zo vaak gebruikte spaarzaamheidsprincipe dat naar hem vernoemd is, dat ruwweg stelt: "Stapel geen gecompliceerde oorzaken opeen om dingen te verklaren, als een enkele eenvoudige oorzaak voldoende is."

Willem van Ockhams levensverhaal rekent af met de algemeen aanvaarde mythe dat de middeleeuwse geleerden weinig meer deden dan twisten over de vraag hoeveel engelen er op een speldenknop zouden kunnen dansen. Hij laat ook zien hoe een christelijke kijk op God en de natuur bevorderlijk is voor de wetenschap. Scholastische filosofen waren bovendien geen slaven van Aristoteles: hun levendige debatten veroorzaakten vaak diepe onderlinge verdeeldheid. Willem werd vanwege zijn opvattingen geëxcommuniceerd uit de katholieke kerk.

Ockham leverde een bijdrage aan de wetenschap door zijn filosofie te bouwen op de doctrine van de bijzondere schepping. Hij was een levendig en welsprekend debater, die uitdrukking gaf aan ingewikkelde argumenten aangaande goddelijke handelingen, genade, rechtvaardiging en andere theologische onderwerpen, maar ook aangaande de details van de Aristoteliaanse filosofie, waarover hij het met een groot aantal tijdgenoten oneens was. Hij ontkende bijvoorbeeld dat Platonische vormen werkelijk waren (nominalisme), iets wat volgens sommigen heeft bijgedragen aan moderne ideeën in de kennistheorie.

Zijn bekendste bijdrage aan de moderne wetenschap was waarschijnlijk zijn beroemde ontologische spaarzaamheidsprincipe. Dit wordt op verschillende manieren verwoord. Een voorbeeld is: "Men zou altijd moeten kiezen voor de verklaring met het kleinst mogelijke aantal oorzaken, factoren of variabelen". Hijzelf verwoordde het als volgt: "Meervoudigheid moet niet aangenomen worden zonder noodzaak." Ockham was weliswaar niet de "uitvinder" van dit principe (sommigen noemen het de regel van Scotus naar zijn voorganger Johannes Duns Scotus), maar hij maakte er uitgebreid gebruik van. Zo dunde hij de tien essentiële ontologische categorieën van Aristoteles uit van tien naar twee: materie en kwaliteit.

Dit "scheermes" heeft al vaak gesneden in onnodig verwarrende verklaringen en heeft wetenschappers zo vaak geholpen om te komen tot elegante, eenvoudige verklaringen van natuurlijke fenomenen. Ockham geloofde niet dat dit principe filosofen toestond om het bestaan van andere categorieën te ontkennen. Hij stelde slechts dat zij niet aangenomen moesten worden tenzij er een goede reden voor was (het moet hierbij natuurlijk wel opgemerkt worden dat de natuur het ons mensen niet verschuldigd is om eenvoudig te zijn). Ockhams scheermes was zeker niet zijn enige bijdrage aan het westerse gedachtegoed. Hij schreef boeken over de natuurfilosofie, logica, politiek en theologie.

Willem twijfelde nooit aan de leer van de bijzondere schepping. Hij aanvaardde Gods openbaring als de enige betrouwbare bron van kennis over het bestaan, God en onsterfelijkheid. "Want er moet niets nieuws voorgesteld worden zonder een geldige reden", zei hij, "tenzij het vanzelfsprekend is, of door ervaring bekend of door de autoriteit van de Heilige Schrift bewezen."

Willem van Ockham Willem van Ockham woonde vlak bij Londen en ging naar de Universiteit van Oxford. De jaloezie van een rivaal had ertoe geleid dat Willem werd beschuldigd van godslastering; hij werd op het matje geroepen bij de paus, die zich destijds in Avignon, in Frankrijk, bevond (de zogenaamde "Babylonische ballingschap der pausen"). Hij was een Franciscaan en was een andere mening toegedaan dan de paus wat betreft apostolische armoede. In 1328 vluchtte hij, bang om opgesloten en geëxecuteerd te worden, samen met andere sympathisanten naar het Heilige Romeinse Rijk, waarna hij uit de kerk werd gezet (ook al werden zijn leerstellingen nooit officieel veroordeeld). Hij bleef daar twintig jaar. Hij schreef en leidde een groepje dissidenten. Zijn ervaringen met de kerk droegen waarschijnlijk bij aan zijn ideeën over de scheiding van kerk en staat. Vermoed wordt dat hij stierf aan de Zwarte Dood die in 1348 in Europa woedde.

Sommigen zijn van mening dat Ockham een bijdrage leverde aan het scepticisme van de latere denkers van de verlichting. Ockham twijfelde eraan dat de natuurlijke theologie zou kunnen leiden tot kennis van God. Zijn nominalisme speelde een rol in latere gedachtestromingen die vonden dat theologie niet in staat is om dingen te bewijzen en die daarom het naturalisme de eerste plaats gaven in de kennistheorie.

Maar het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de overtuigingen van een mens in de context van zijn tijd, en die van latere mensen die zijn principes gebruikten als uitgangspunt voor (of rechtvaardiging van) hun eigen ideeën. Willem van Ockham zou waarschijnlijk zijn scheermes hebben toegepast op hun speculaties als hij met hen had kunnen debatteren. Hij was nooit een scepticus aangaande de Schrift of de bijzondere schepping. Hij twijfelde alleen maar aan de filosofische bedenksels van enkele van zijn voorgangers, waaronder Aristoteles.

Ockhams spaarzaamheidsprincipe kan net zozeer gebruikt worden tegen sceptici als tegen theïsten. De les die we hieruit moeten leren is dat we goede redenen moeten hebben voor wat we geloven: een veelvoud aan denkbeeldige en speculatieve hypothesen moet niet zomaar voorgesteld worden zonder dat daar behoefte aan is. Het poneren van een enkele God blijkt de wereld goed te kunnen verklaren.

Volgende pagina